Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:15363
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,258 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2602
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
6 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft
(gemachtigde: mr. L. van der Windt).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit Duitsland (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager)
Inleiding
1. In het besluit van 7 juli 2023 heeft het college aan vergunninghouder, eigenaar van het pand [adres 1] in [plaats] (de woning), een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de beneden- en bovenwoning van de woning tot drie appartementen. Eisers bezwaar tegen dit besluit is in de beslissing op bezwaar van 18 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 18 december 2023 beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 maart 2024 eisers beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het college eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien eiser op een afstand van ruim 150 meter woont tot de woning, hij vanuit zijn woning geen zicht heeft op de woning en niet is gebleken van gevolgen van enige betekenis voor de woon- of leefsituatie van eiser.
1.2.
In het besluit van 5 april 2024 heeft het college vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een reeds geplaatste dakkapel op de woning aan [adres 2] . In de beslissing op bezwaar van 16 oktober 2024 is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard, waarbij is opgemerkt dat het besluit ook geldt ten aanzien van de woning aan [adres 3] . In het besluit van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de verleende omgevingsvergunning gewijzigd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam] .
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. Beoordeeld dient te worden of eisers beroep ontvankelijk is. Daarbij is van belang of eiser als belanghebbende dient te worden aangemerkt.
2.1.
Eiser komt op tegen het reparatiebesluit van 27 februari 2025, maar zijn bezwaar tegen de beslissing over de aangepaste dakkapel van 5 april 2024 is niet-ontvankelijk verklaard door het college bij beslissing op bezwaar van 2 juli 2024. Niet gebleken is dat eiser daartegen beroep heeft ingesteld. Dat betekent dat eiser slechts beroep kan instellen tegen het besluit van 27 februari 2025 als daarin elementen zijn gewijzigd ten opzichte van het voorgaande besluit van 16 oktober 2024 die in zijn nadeel zijn. Daarvan is niet gebleken. Daarbij speelt een belangrijke rol dat eiser niet alleen door het college maar ook door de rechtbank als niet belanghebbend bij de omgevingsplanactiviteiten op [adres 1] wordt aangemerkt.
2.2.
Eisers betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025 door
mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak SGR 24/984, ECLI:NL:RBDHA:2024:3626