Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:15359
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,747 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10463
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: mr. M. M. van Duren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, eisers vader ( [referent] , tevens referent) en zijn moeder en zus. Als tolk is verschenen D.A.H. Ahmed. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
3. Eiser heeft een verzoek gedaan om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. De rechtbank ziet op basis van de door eiser verstrekte gegevens aanleiding om dit verzoek te honoreren.
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser is de meerderjarige zoon van referent en beoogt naar Nederland te komen om bij referent, zijn vader, te verblijven. Zowel eiser als referent hebben de Syrische nationaliteit.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat de nareistermijn niet verschoonbaar is overschreden?
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de aanvraag voor een mvv in het kader van nareis niet is ingediend binnen drie maanden nadat aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, maar bijna vijf jaar later.
7. Eiser stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, aangezien eiser niet van de driemaandentermijn op de hoogte was.
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de termijn niet verschoonbaar is overschreden. De minister heeft bij zijn overwegingen volgens Werkinstructie (WI) 2024/4 de drie factoren die van belang zijn bij een verschoonbaarheidstoets betrokken:
- de duur van de termijnoverschrijding;
- de inspanningsverplichting van de vreemdeling; en
- bijzondere omstandigheden die zien op de termijnoverschrijding.2
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ter zake kunnen concluderen dat sprake is van een (zeer) ruime termijnoverschrijding en dat niet gebleken is dat eiser of referent inspanning hebben geleverd om achter de benodigde informatie te komen om gezinshereniging te realiseren of de wens daartoe kenbaar te maken. Van hen had verwacht mogen worden dat zij zich tijdig over de geldende regelgeving inclusief het veiligstellen van de driemaandentermijn hadden laten informeren. Bovendien heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die zien op de termijnoverschrijding. De enkele stelling dat eiser niet van de driemaandentermijn op de hoogte was is onvoldoende om uit te gaan van een verschoonbare termijnoverschrijding. Niet is gebleken dat eiser (al dan niet met hulp van anderen, zoals bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland) niet in staat was om binnen drie maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning asiel een mvv-aanvraag in het kader van nareis in te dienen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de overschrijding van de termijn van drie maanden verschoonbaar te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aan artikel 8 van het EVRM moeten doortoetsen?
9. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister had moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM, dan wel deugdelijk had dienen te motiveren waarom niet aan artikel 8 EVRM is getoetst. Hierbij beroept eiser zich onder andere op de Afdelingsuitspraak van 13 juli 2022, waaruit volgt dat de minister in artikel 8 EVRM-zaken altijd een belangenafweging moet verrichten, ook als er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven.3 Eiser betoogt dat in nareisaanvragen altijd impliciet een beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt, de minister dient ambtshalve aan dit artikel te toetsen.
2 WI 2024/4 Instructies behandeling nareisaanvragen (asiel)
3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 20234 volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) van toepassing is in nareiszaken en dat de minister in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. De minister kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit, in het verweerschrift en tijdens de zitting deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank wijst met name op punt 1 op pagina 3 van het bestreden besluit en op het verweerschrift van 15 november 2024. De minister heeft gesteld dat een bijkomende toets aan artikel 8 van het EVRM bewerkelijker is en meer capaciteit en tijd kost, terwijl de nareisprocedure daar niet op is ingericht. De minister heeft er verder op gewezen dat eiser een aparte reguliere aanvraag kan indienen. De minister heeft in zijn overwegingen, in lijn met zijn beleid in Informatiebericht 2024/7, gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb.
Niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden waardoor het voor eiser onmogelijk of onevenredig bezwarend is om een reguliere aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser voert daarnaast aan dat uit de Gezinsherenigingsrichtlijn weliswaar een nareiscriterium van drie maanden voortvloeit, maar dat de Europese Commissie vindt dat Nederland het criterium bijzonder strikt hanteert, omdat er geen ruimte is voor een belangenafweging. Hierbij verwijst eiser naar het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn5 en het Groenboek inzake het recht op gezinshereniging.6 Eiser betoogt dat de minister op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn de aard en hechtheid van de gezinsband had moeten beoordelen.
12. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Uit de Afdelingsuitspraak van 27 december 20187 volgt dat de minister niet in strijd met artikel 12, eerste lid, derde alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn handelt als hij een na de driemaandentermijn ingediende eerste aanvraag om verlening van een mvv in het kader van nareis afwijst zonder een inhoudelijke beoordeling te maken, mits de termijnoverschrijding niet objectief verschoonbaar is en hij de desbetreffende vreemdeling volledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van zijn besluit en de maatregelen die deze moet nemen om alsnog in aanmerking te komen voor gezinshereniging. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de driemaandentermijn niet objectief verschoonbaar is overschreden. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit gewezen op de mogelijkheid om de gewenste gezinshereniging via de reguliere procedure te bewerkstelligen. Gelet hierop heeft de minister terecht betoogd dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het Unierecht of zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd door de aanvraag van eiser af te wijzen zonder een inhoudelijke beoordeling te maken over de aard en hechtheid van de gezinsband.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de mvv-aanvraag in het kader van nareis in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 januari 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.