Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:15353
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,406 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24224
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser van 3 december 2022 ingewilligd en een verblijfsvergunning verleend waarop als geboortedatum van eiser [geboortedatum 1] 2000 staat.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Volgens hem is de minister in het bestreden besluit van een onjuiste geboortedatum uitgegaan.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Habte Essaias. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft op 3 december 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Tegen de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) heeft eiser verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 2006. Twee medewerkers van AVIM hebben op 3 december 2022 een leeftijdsschouw verricht. Zij hebben geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Een hoormedewerker van de IND heeft op 6 december 2022 ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat er op basis van het uiterlijk van eiser twijfel is over zijn minderjarigheid.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
1.1.
Naar aanleiding van de leeftijdsschouwen heeft de minister nader onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten waar eiser eerder vingerafdrukken heeft afgegeven. Uit informatie van de Italiaanse autoriteiten van
23 januari 2023 blijkt dat eiser in Italië is geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 1] 2000 en met geboortedatum [geboortedatum 2] 2006. Verder blijkt uit die informatie dat eiser in Italië niet heeft verzocht om internationale bescherming en geen verblijfsvergunning heeft gekregen, en dat er in Italië geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en geen documenten beschikbaar waren.
1.2.
Op 24 januari 2023 heeft de minister de gestelde geboortedatum van eiser in haar systemen gewijzigd naar [geboortedatum 1] 2000 omdat is gebleken dat eiser in Italië is geregistreerd met die geboortedatum.
1.3.
Ter onderbouwing van zijn gestelde geboortedatum heeft eiser tijdens het nader gehoor van 15 mei 2024 een originele doopakte overgelegd, waarop [geboortedatum 2] 2006 als geboortedatum staat.
Het bestreden besluit
2. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 mei 2024 aan eiser een asielvergunning verleend. De minister gaat in het bestreden besluit uit van de geboortedatum van eiser van [geboortedatum 1] 2000. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser in Italië is geregistreerd met die geboortedatum. Volgens de minister kan op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van die geboortedatum worden uitgegaan. Er is geen reden om aan de juistheid van die registratie te twijfelen en de verklaring van eiser dat hij zich de registratie in Italië niet kan herinneren omdat hij toen ziek was, is geen verschoonbare reden. Verder heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde originele doopakte geen identificerend document is en geen officieel geboortebewijs is, en dat daarom geen waarde kan worden gehecht aan dit document.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 9 oktober 2024 uitspraak heeft gedaan over de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij de beoordeling van de leeftijd van de vreemdeling (ECLI:NL:RVS:2024:3992). Daarbij is de Afdeling onder meer tot de conclusie gekomen dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie in een andere EU- lidstaat betrekt.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat in de zaak van eiser de motivering in het bestreden besluit steunt op het uitgangspunt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling, heeft de minister in het besluit de geboortedatum ondeugdelijk gemotiveerd. De minister heeft dit in het verweerschrift ook erkend. Dat betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet wel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand te laten. De rechtbank legt dat hierna uit en bespreekt daartoe de beroepsgronden van eiser.
De leeftijdsschouw
4. Eiser betoogt dat er geen reden was om te twijfelen aan de door hem opgegeven geboortedatum. Volgens eiser heeft de hoormedewerker van de IND niet deugdelijk gemotiveerd waarom er twijfel was over de minderjarigheid van eiser en is deze hoormedewerker ook niet medisch geschoold om een dergelijk oordeel te kunnen geven. Eiser wijst er ook op dat de medewerkers van AVIM hem evident minderjarig vonden bij de leeftijdsschouw en dat hij tijdens de gehoren korte antwoorden heeft gegeven die passen bij zijn minderjarige leeftijd. Volgens eiser had de minister moeten uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en heeft de minister op grond van de leeftijdsschouw ten onrechte getwijfeld aan de door eiser opgegeven geboortedatum.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het vernietigde bestreden besluit de leeftijdsschouwen niet als bewijs heeft betrokken bij haar standpunt over de leeftijd van eiser. De conclusies van de schouwen gaven de minister uitsluitend aanleiding om nader onderzoek te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de leeftijdsschouw door de hoormedewerker van de IND onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dat het oordeel van de hoormedewerker summier is gemotiveerd, is daarvoor onvoldoende. De minister heeft naar aanleiding van de uitkomst van de leeftijdsschouwen dus mogen twijfelen aan de geboortedatum van eiser en aanleiding mogen zien voor nader onderzoek. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser op dat moment geen enkel document had overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde geboortedatum en dat op dat moment niet bekend was dat eiser in Italië ook is geregistreerd met de geboortedatum die hij in Nederland heeft opgegeven. Dat is pas gebleken tijdens het nader onderzoek dat de minister heeft gedaan. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de minister, mede gelet op die in Italië geregistreerde meerderjarige geboortedatum, ten onrechte heeft getwijfeld aan zijn geboortedatum.
4.2.
Gedurende het nader onderzoek is de minister blijven uitgaan van de door eiser opgegeven geboortedatum van [geboortedatum 2] 2006. Op basis van het nader onderzoek heeft de minister een standpunt ingenomen over de leeftijd van eiser en de geboortedatum van eiser gewijzigd naar [geboortedatum 3] 2000. De rechtbank vindt deze werkwijze niet onzorgvuldig of in strijd met de presumptie van minderjarigheid. De minister is immers tijdens het nader onderzoek blijven uitgaan van de minderjarigheid van eiser. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat wat eiser aanvoert over de leeftijdsschouwen, de twijfel aan zijn geboortedatum en de presumptie van minderjarigheid, niet slaagt.
Doopakte
5. Eiser betoogt dat hij zijn gestelde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2006 aannemelijk heeft gemaakt omdat hij een originele doopakte heeft overgelegd waarop deze geboortedatum staat. Volgens eiser is de minister in het besluit hieraan voorbijgegaan en is het onzorgvuldig dat de minister voorafgaand aan het besluit geen onderzoek heeft gedaan naar de echtheid van de doopakte. Verder betoogt eiser dat de doopakte als identificerend document moet worden beschouwd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat, anders dan eiser betoogt, de minister in het besluit en ook in het verweerschrift is ingegaan op de doopakte. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de doopakte niet als identificerend document kan worden aangemerkt. Naar de rechtbank begrijpt, heeft de minister om die reden geen onderzoek laten doen naar de doopakte door Bureau Documenten voordat de minister een besluit nam.
5.2.
Tijdens deze beroepsprocedure heeft de minister de doopakte alsnog voorgelegd aan Bureau Documenten. Op 28 november 2024 heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat de doopakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, omdat de verschijningsvorm van de doopakte afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Met het betoog dat Bureau Documenten niet heeft vastgesteld dat de akte vals is en dat daarmee niet valt uit te sluiten dat de doopakte echt is, heeft eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten. Dat volgens eiser de registratie van een kerkelijk document kan verschillen per kerk en per dorp en Bureau Documenten volgens eiser niet uit alle dorpen en kerken vergelijkingsmateriaal heeft, is ook geen reden om te twijfelen aan de conclusie van Bureau Documenten. In dit geval heeft Bureau Documenten namelijk een inhoudelijk oordeel over de echtheid, opmaak en afgifte van het document kunnen geven. Bureau Documenten kan in sommige gevallen ook concluderen dat de echtheid van het document niet te beoordelen is vanwege een gebrek aan vergelijkingsmateriaal. Daar is in dit geval geen sprake van, waardoor de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen of er wel voldoende vergelijkingsmateriaal was. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de conclusie van Bureau Documenten. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat van de conclusie van Bureau Documenten kan worden uitgegaan en dat aan de doopakte geen bewijswaarde kan worden gehecht. Ook heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Het betoog van eiser slaagt niet.
Bewijsnood
6. Eiser voert aan dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser stelt dat de doopakte naar Nederland is gekomen met de hulp van iemand die naar [plaats] is gereisd. Andere documenten heeft eiser nooit gehad omdat hij minderjarig was. Eiser heeft zijn familie gevraagd naar meer documenten, maar die zijn er niet. De minister kan niet van hem verlangen dat hij zich wendt tot de Eritrese autoriteiten voor documenten en hij kan niet naar Eritrea reizen om te vragen of hij nog ergens aan documenten zou kunnen komen.
6.1.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat uit de algemene ambtsberichten over Eritrea volgt dat er wel documenten voor minderjarigen in Eritrea worden afgegeven, zoals bijvoorbeeld de ‘tassiera’, een identiteitsbewijs voor scholieren. Ook is er de ‘family residence card’ voor personen onder de 18 jaar.2 De minister werpt eiser terecht tegen dat hij niet een van de hiervoor genoemde documenten heeft overgelegd.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet wel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de geboortedatum op de asielvergunning van eiser niet aangepast hoeft te worden.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 maart 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Beoordeling
Eiser heeft niet toegelicht waarom hij de documenten niet heeft en wat hij heeft gedaan om ze te bemachtigen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling3 volgt dat de vreemdeling die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan
2 Algemeen Ambtsbericht Eritrea, mei 2022, pagina 28, en Algemeen Ambtsbericht Eritrea, december 2023, pagina 27.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:401.
om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Eiser heeft dat niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Leeftijdsonderzoek
7. Eiser stelt zich (subsidiair) op het standpunt dat de minister leeftijdsonderzoek had moeten verrichten. Leeftijdsonderzoek en deugdelijke procedures zijn volgens het EHRM van essentieel belang om te garanderen dat de rechten van kinderen worden beschermd.
7.1.
Uit paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat de minister een alleenstaande minderjarige vreemdeling uitsluitend een medisch leeftijdsonderzoek (botonderzoek) aanbiedt als bedoeld in artikel 3.109d, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb) als in de leeftijdsschouw niet tot evidente minder-of meerderjarigheid kan worden geconcludeerd, bevragingen van de vingerafdrukken in Eurodac geen hit opleveren en de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met bewijsmiddelen kan aantonen en of anderszins aannemelijk kan maken.4
7.2.
De minister heeft zich tijdens de zitting in lijn met Werkinstructie 2025/1
(WI 2005/1) op het standpunt gesteld dat leeftijdsonderzoek slechts wordt ingezet als laatste mogelijkheid, als blijkt dat eiser in bewijsnood verkeerd en als de leeftijdsschouw niet tot evidente meer- of minderjarigheid leidt.
7.3.
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. De minister hoefde daarom in dit geval geen leeftijdsonderzoek uit te voeren.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eiser voert aan dat de minister niet zonder meer had mogen uitgaan van de leeftijdsregistratie in Italië, gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 oktober 2024.5 In die uitspraak heeft de Afdeling vooropgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op het toepassen van de leeftijd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij ziek was toen hij in Italië aankwam en dat hij later pas vernam dat zijn geboortedatum daar onjuist was geregistreerd. Eiser stelt dat hij zich niet meer kan herinneren wat hij als geboortedatum heeft opgegeven. Daarnaast verklaart eiser in het nader gehoor dat zijn vrienden zijn geboortedatum in Italië hebben opgegeven.6
8.1.
In het verweerschrift heeft de minister, onder verwijzing naar deze Afdelingsuitspraak, nader gemotiveerd waarom de minister uit gaat van de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Tevens stelt de minister dat het bestreden besluit van 17 mei 2024 dateert van vóór de Afdelingsuitspraak.
8.2.
De rechtbank wijst erop dat uit de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van
4 Werkinstructie 2025/1 leeftijdsbepaling, pagina 10, voorheen Werkinstructie 2023/6 leeftijdsbepaling.
5 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
6 Nader gehoor, pagina 4.
vreemdelingen, omdat het Unierecht niet specifiek regelt op welke wijze een leeftijdsbeoordeling moet plaatsvinden en daarmee niet bepaalt welke waarde een leeftijdsregistratie uit een andere EU-lidstaat heeft bij de leeftijdsbeoordeling in een asielprocedure. Dit betekent niet dat er geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De leeftijd van de vreemdeling zal namelijk moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal de minister steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn of haar andere verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Hierbij volgt uit de genoemde uitspraak van de Afdeling dat de presumptie van minderjarigheid het vertrekpunt moet zijn.
8.3.
De minister heeft in het verweerschrift naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom, ondanks dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling, toch kan worden uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2000. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland verklaard dat zijn geboortedatum [geboortedatum 2] 2006 is. Op grond van de uitkomst van de leeftijdsschouwen is twijfel ontstaan over die opgegeven geboortedatum, zodat de minister conform WI 2025/1 nader onderzoek heeft gedaan. Daaruit is gebleken dat eiser in Italië bekend is onder een andere geboortedatum, die duidt op meerderjarigheid. De minister heeft in het verweerschrift deugdelijk gemotiveerd dat eiser tijdens de gehoren inconsistent en tegenstrijdig heeft verklaard over die registratie in Italië.7 Zo heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij de geboortedatum zelf heeft opgegeven8, terwijl hij later heeft verklaard dat zijn vrienden dit voor hem zouden hebben gedaan omdat hij ziek was.9 Daarnaast heeft eiser verklaard dat direct bij aankomst in Italië (op 6 november 2022) zijn vingerafdrukken zijn genomen10, terwijl uit Eurodac-gegevens blijkt dat dit pas op 9 november 2022 is gebeurd. Daarnaast heeft de minister in het verweerschrift deugdelijk gemotiveerd dat het onwaarschijnlijk is dat eiser, zoals hij stelt, in Italië in een opvanglocatie voor minderjarigen heeft gezeten en deze snel heeft verlaten.11 De minister heeft daartoe erop gewezen dat eiser niet zomaar uit een minderjarige opvang kan vertrekken en dat eiser volgens de Italiaanse autoriteiten in Italië geen asielaanvraag heeft gedaan en geen verblijfsvergunning heeft gekregen.