Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:1530
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,424 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.9587
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Minister van Asiel en Migratie1,
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om haar stiefmoeder [vreemdelinge] , V-nummer [V-nummer] (de vreemdelinge), een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 januari 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 maart 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Waar gaat deze uitspraak over?
2. De vreemdelinge is geboren op [geboortedatum] 1970, heeft de Afghaanse nationaliteit en is alleenstaand. Zij is de stiefmoeder van eiseres en heeft na het overlijden van de biologische moeder van eiseres voor eiseres en haar broer gezorgd. De vreemdelinge en haar twee biologische kinderen zijn naar India gevlucht. De vreemdelinge is teruggekeerd en woont in Iran. Volgens eiseres is de verblijfsvergunning van de vreemdelinge in Iran verlopen en dreigt zij ieder moment de grens met Afghanistan te worden overgezet.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Inmiddels is haar familie gevlucht en niet meer in staat haar te ondersteunen.
Eiseres en haar broer verblijven in Nederland, respectievelijk Duitsland. Andere familieleden verblijven in India. Vanwege deze ontwikkelingen beschikt de vreemdelinge niet meer over een mannelijke begeleider zodat zij niet meer aan het maatschappelijk verkeer kan deelnemen terwijl zij ook nog in een vreemd land verblijft. Omdat eiseres geen goede mogelijkheden heeft om de vreemdelinge steun op afstand te geven, is zij van mening dat inmiddels sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid tussen eiseres en de vreemdelinge. Ook de belangenafweging valt volgens de minister uit in het nadeel van de vreemdelinge. Er is geen objectieve belemmering voor de vreemdelinge en eiseres om gezinsleven in Iran uit te oefenen
4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank gaat ervan uit dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen de vreemdelinge en eiseres familiebanden bestaan, dat de vreemdelinge de Afghaanse nationaliteit heeft en momenteel in Iran verblijft en dat haar verblijfsvergunning in Iran is verlopen op 16 maart 2023. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de belangenafweging in het bestreden besluit geen onderwerp van geschil is, zodat de rechtbank dit onderdeel van het bestreden besluit verder buiten beschouwing zal laten.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
7. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat eiseres, gelet op de situatie van de vreemdelinge in het buitenland, graag wil dat haar stiefmoeder naar Nederland komt. Bij de beoordeling van dit beroep is de rechtbank echter gebonden aan de geldende regelgeving over verzoeken om gezinshereniging van ouders met meerderjarige (stief)kinderen. In dat kader stelt de rechtbank vast dat de minister de aanvraag heeft beoordeeld aan de hand van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), werkinstructie 2020/16 en Informatiebericht 2022/80. Na het bestreden besluit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 27 maart 2024 uitspraken gedaan over de beoordeling van aanvragen om gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM van familieleden die niet tot het kerngezin van een referent behoren (ECLI:NL:RVS:2024:1187, 1188 en 1189). Partijen zijn in de gelegenheid geweest om over deze uitspraak voorafgaande aan het onderzoek ter zitting een standpunt in te nemen.
8. Niet in geschil is dat de vreemdelinge ook in Duitsland en India familie heeft. Eiseres heeft gesteld dat vanuit India en Duitsland aanvragen zijn gedaan om de vreemdelinge met haar familie aldaar te herenigen, welke niet zijn geslaagd. Zij heeft dit echter niet met documenten onderbouwd. Daarnaast heeft eiseres niet duidelijk gemaakt waarom de vreemdelinge in het kader van gezinshereniging en het bestaan van een bijzondere afhankelijkheid juist is aangewezen op verblijf bij eiseres en niet bij andere
familie. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister op goede gronden heeft beslist dat niet aannemelijk is gemaakt waarom zij niet bij die andere familie kan verblijven. De enkele stelling dat dit al blijkt uit de omstandigheid dat zij niet bij die familie verblijft, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. In het besluit zijn alle kenbare elementen zowel op zichzelf, als in onderlinge samenhang bij de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen meewegen dat eiseres en de vreemdelinge al meer dan 20 jaar niet in gezinsverband hebben samengewoond. Verder is niet aannemelijk gemaakt in hoeverre andere van belang geachte factoren een rol bij de beoordeling kunnen spelen. Zo is niet nader onderbouwd in hoeverre de medische situatie van de vreemdelinge maakt dat hieruit een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met eiseres voortvloeit. Hetzelfde geldt voor de woonsituatie van de vreemdelinge, de gestelde dreiging van uitzetting naar Afghanistan en de stelling dat zij zonder man, zo begrijpt de rechtbank, niet kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Er zijn geen blijken van het ontstaan van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie-situatie op afstand nadat er 20 jaar geen samenwoning in gezinsverband heeft plaatsgevonden. Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat dat de banden tussen eiseres en de vreemdelinge zo sterk zijn dat de vreemdelinge als gevolg van de scheiding met eiseres niet in staat is om zelfstandig te functioneren. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit de bijkomende elementen van afhankelijkheid naast de normale emotionele banden tussen (stief)ouders en (stief)kinderen voldoende heeft meegenomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De algemene situatie in Iran en Afghanistan
10. Voor zover eiseres een beroep doet op de algemene situatie in Iran en Afghanistan overweegt de rechtbank dat hiervoor geen plaats is in deze procedure. Deze procedure is immers gericht op verblijf van de vreemdelinge bij eiseres en niet op een beoordeling van de vraag of de vreemdelinge voldoet aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag of blootstaat aan een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM of een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van Richtlijn 2011/95. Indien eiseres zich op deze omstandigheden wil beroepen, ligt het op de weg van de vreemdelinge om een aanvraag te doen om internationale bescherming. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de mvv-aanvraag ten behoeve van de vreemdelinge heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 januari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.