Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:15290
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37143
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 12 augustus 2025.
Overwegingen
Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juli 2025 (in de zaak NL25.26553) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 25 juni 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 25 juni 2025.
Verzoek om zitting
2. Hoewel eiser heeft verzocht om het beroep in zijn aanwezigheid ter zitting te behandelen, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van de vreemdeling in vervolgberoepen is niet verplicht. Het horen van eiser is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het dossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep. In dit kader zijn de door eiser aangevoerde en hieronder besproken gronden onvoldoende om het verzoek om op de zitting te worden gehoord, toe te wijzen.
Zicht op uitzetting
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting naar Marokko in zijn specifieke geval ontbreekt omdat verweerder al meerdere lp-aanvragen heeft ingediend voor eiser, zonder dat dit tot afgifte van een lp heeft geleid.
4. Eiser betwist niet dat het zich op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn algemeenheid ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219) en van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269). Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 2 mei 2025 (NL25.18258) en van 2 juli 2025 (NL25.26553). De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 2, respectievelijk 3 en 4 van deze uitspraken. In hetgeen eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder mag de lp-aanvraag die is ingediend op 25 april 2025 vooralsnog afwachten, temeer nu met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaan en eiser geen concrete aanknopingspunten aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eisers nationaliteit en identiteit zijn bekend zodat het volgens eiser aan verweerder is om zijn laissez-passer (lp) aanvraag nog meer onder de aandacht te brengen bij de Marokkaanse autoriteiten.
6. Uit het dossier blijkt dat verweerder in de te toetsen periode twee maal op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd en dat er op 15 juli 2025 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiermee voortvarend genoeg werkt aan eisers uitzetting naar Marokko. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.