Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:15281
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36219
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: Mr. N. Mikolajczk).
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.Z. Elaichouchi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank stelt evenwel vast dat eiser in het verhoor voorafgaand aan de in bewaringstelling heeft verklaard asielzoeker te zijn. De rechtbank heeft in het kader van haar ambtshalve plicht ter zitting doorgevraagd op deze stelling van eiser en daaruit kwam naar voren dat eiser nog altijd vreest voor terugkeer en dat hierbij nieuwe elementen een rol spelen die niet zijn meegenomen in de beschikking van 6 januari 2025. Eiser heeft ter zitting, nadat hem erop is gewezen dat hij een asielverzoek mag indienen, een asielverzoek gedaan, waarvan de rechtbank een proces-verbaal heeft opgemaakt. Het komt de rechtbank voor dat als de verhoorambtenaar tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel had doorgevraagd naar de redenen waarom eiser stelt asielzoeker te zijn, reeds eerder had kunnen worden vastgesteld dat eiser een (nieuwe) asielreden aanvoert en had hij eerder in de gelegenheid kunnen worden gesteld een asielverzoek in te dienen. Weliswaar had de minister dan wellicht een maatregel conform artikel 59b Vw kunnen opleggen, maar een grondslag voor een maatregel ex artikel 59 Vw ontbreekt in dat geval.
3. Gelet op het gegeven dat ook de minister, evenals de rechtbank, in alle fasen van de terugkeerprocedure ambtshalve moet toetsen op het non-refoulementbeginsel, betekent dit dat de minister tijdens het verhoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel in zoverre haar ambtshalve verplichting op toetsing aan het non-refoulementbeginsel niet is nagekomen en dat om die reden de maatregel van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsbenemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 10 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.130,-.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.130,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Conclusie
Conclusie Advocaat-Generaal Spielman bij het HvJ EU van 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:625, o.a. r.o. 45 t/m 50.