Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:15208
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,348 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 23-8034 (echtscheiding)
FA RK 24-5268 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/656400 (echtscheiding)
C/09/669883 (verdeling)
Datum beschikking: 15 mei 2025
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 27 oktober 2023 ingekomen verzoek van:
[de man]
,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: eerst mr. M.B. Brouwer, nu mr. B. du Fossé te Eindhoven.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw]
,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met 2 producties, van de zijde van de man;
het F9-formulier van 20 november 2023, met bijlage, van de zijde van de man;
het op 19 december 2023 ingekomen verweerschrift van de zijde van de vrouw;
de op 9 februari 2024 ingekomen voorwaardelijke zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 3, van de zijde van de vrouw;
het op 13 februari 2024 ingekomen aanvullend verzoekschrift, met 2 producties, van de zijde van de man;
het op 22 mei 2024 ingekomen verweerschrift tegen de voorwaardelijke zelfstandige verzoeken, met aanvullende verzoeken en met producties 1 tot en met 18, van de zijde van de man;
het op 17 juli 2024 ingekomen verweerschrift op de aanvullende verzoeken, met producties 4 en 5, van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier van 19 maart 2025, met aanvullende verzoeken en met producties 19 tot en met 22, van de zijde van de man;
het F9-formulier van 24 maart 2025, met 3 producties, van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier van 31 maart 2025, met producties 23 tot en met 25, van de zijde van de man.
Op 3 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 1998 te [plaats 1] .
Zij zijn de ouders van de volgende inmiddels meerderjarige kinderen:
- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats] ;
- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] .
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
Verzoek en verweer
Het verzoek – zoals dat na wijziging en intrekking op de zitting van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie luidt – strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man, samengevat inhoudende:
o bepaling dat de woning te [plaats 2] wordt verkocht conform het door de man voorgestelde spoorboekje;
o verdeling van de bank- en spaarrekeningen;
o toedeling van de auto van het merk Peugeot 108 aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om aan de man de helft van de waarde te voldoen;
o bepaling dat partijen de belastingaanslagen/-teruggaven 2023 bij helfte zullen dragen c.q. verdelen;
o verdeling van de inboedel, waarbij de in productie 21 opgenomen goederen aan de man worden toegedeeld en de overige goederen aan de vrouw;
o bepaling dat de vrouw aan de gemeenschap € 6.700,- dient te vergoeden, waarna bedrag bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;
o bepaling dat de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen over de periode van 15 augustus 2023 tot en met 27 oktober 2023;
- veroordeling van de vrouw tot betaling van een gebruikersvergoeding voor het gebruik door de vrouw van zijn aandeel in de echtelijke woning met ingang van 1 januari 2025;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.679,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 7 februari 2024, dan wel met ingang van 24 maart 2024, dan wel met ingang van de datum van de beschikking, dan wel een in goede justitie te bepalen ingangsdatum en bijdrage;
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw, samengevat inhoudende:
o bepaling dat aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt uit hoofde van de door haar onder uitsluiting ontvangen erfenis;
o bepaling dat de woning te [plaats 2] zal worden verkocht nadat de vrouw een passende andere woning heeft, waarbij de overwaarde bij helfte wordt gedeeld na vergoeding van de vrouw ter zake van de erfenis;
o toedeling van de auto van het merk Peugeot 108 aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om aan de man de helft van de waarde te voldoen;
bepaling dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter zake van de aan haar toegekomen erfenis;
voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot na het eindexamen van [jongmeerderjarige 2] in juli 2025 dan wel voor de duur van 6 maanden na inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
De man stelt zich op het standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt de echtscheiding uit te spreken.
De vrouw betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Volgens de vrouw heeft de man wisselende signalen over zijn wens om te scheiden.
De rechtbank overweegt dat indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Omdat de man tijdens de zitting heeft bevestigd dat hij volhardt in zijn wens om van de vrouw te scheiden, stelt de rechtbank vast dat sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank zal het hierop steunende verzoek van de man tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
Partneralimentatie
Bij de vaststelling van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen voor wie partijen onderhoudsplichtig waren.
Tussen partijen is in geschil met welke inkomens moet worden gerekend bij de bepaling van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Volgens de vrouw moet met de inkomens van 2023 van partijen worden gerekend, omdat zij in oktober 2023 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Volgens de man is dat jaar niet representatief voor de huwelijkse welstand, omdat de vrouw tijdens het huwelijk een beperkt inkomen had en pas een jaar voor het feitelijk uiteengaan meer is gaan verdienen.
De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw wordt aangesloten bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Gelet op de discussie tussen partijen dient de rechtbank te beoordelen of de huwelijksgerelateerde welstand van partijen is verhoogd nadat de vrouw meer is gaan verdienen. Gedurende het huwelijk van partijen van meer dan 25 jaar heeft de vrouw altijd parttime gewerkt bij Didi tot het faillissement van Didi in 2020. De vrouw ontving van 2020 tot en met 2022 een WW-uitkering. Blijkens de overgelegde stukken bedroeg haar WW-uitkering € 9.981,- bruto in 2020, € 8.566,- bruto in 2021 en € 8.913,- bruto in 2022. Op 1 februari 2023 is de vrouw in dienst is getreden bij OWM Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid u.a. met een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week, zo blijkt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties. Zij had in 2023 een inkomen van € 27.243,- bruto. Het gemiddelde inkomen van de vrouw in de drie jaren (2021 tot en met 2023) voorafgaande aan het beëindigen van de samenleving bedraagt [(8.566 + 8.913 + 27.243) / 3] € 14.907,- per jaar. De rechtbank acht het redelijk om van dit gemiddelde inkomen uit te gaan, omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat de vrouw ook ongeveer dit inkomen had voordat Didi failliet ging. Dit vermoeden stoelt de rechtbank op de WW-uitkering van de vrouw van 2020. Ervan uitgaande dat die uitkering 70% bedroeg van haar laatstverdiende salaris, bedroeg het inkomen van de vrouw bij Didi [(9.981 / 70) * 100] € 14.259,- bruto per jaar.
Op basis van een gemiddeld inkomen van € 14.907,- bruto per jaar, en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.217,- per maand.
Bij de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van zijn inkomen in 2023 van € 56.056,- bruto, zoals blijkt uit de door hem overgelegde aangifte inkomstenbelasting van dat jaar. Dit bedrag dient te worden verminderd met de fiscale bijtelling van de auto van € 291,- per maand. Op basis hiervan, en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.207,- per maand.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op (1.217 + 3.207) € 4.466,- per maand. Hiervan worden de kosten van [jongmeerderjarige 2] afgetrokken van – volgens de berekening – € 625,- per maand. Omdat [jongmeerderjarige 1] 24 jaar, en dus meerderjarig, was in 2023 houdt de rechtbank geen rekening met zijn kosten. Na aftrek van de kosten van [jongmeerderjarige 2] , was een bedrag van € 3.841,- beschikbaar voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.305,- netto per maand (60% van € 3.841 per maand).
Op basis van het huidige inkomen van de vrouw, dat blijkens de overgelegde jaaropgave 2024 € 32.284,- bruto bedraagt, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 2.408,- per maand. Nu het inkomen van de vrouw hoger is dan de hiervoor berekende behoefte van € 2.305,- netto per maand, concludeert de rechtbank dat de vrouw geen aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie afwijzen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot na het eindexamen van [jongmeerderjarige 2] in juli 2025 dan wel voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
De man heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voortgezet gebruik, als er maar een einddatum aan zit. De verzochte zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vindt de man echter te lang, omdat hij zeker weet dat deze termijn door de vrouw dan maximaal zal worden benut en neer zal komen op nog negen maanden gebruiksrecht.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende belang heeft bij haar verzoek, omdat zij nog met beide kinderen van partijen in de woning woonachtig is. Op de zitting is duidelijk geworden dat de vrouw nog veel moeite heeft met de echtscheiding. Met partijen is duidelijk besproken dat de echtscheiding er nu echt gaat komen en dat de vrouw de echtscheiding niet kan tegenhouden. De vrouw heeft dan nu nog ruim de tijd om uit te kijken naar vervangende woonruimte.
Gebruiksvergoeding
De man heeft een gebruiksvergoeding verzocht met ingang van 1 januari 2025, in die zin dat de vrouw de eigenaarslasten van de woning volledig voor haar rekening dient te nemen naast de gebruikerslasten.
De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHSGR:2011:BT9456, dat beide partijen gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning en de man er zelf voor heeft gekozen daarvan geen gebruik te maken. Bovendien heeft de vrouw de volledige kosten voor de kinderen gedragen, wat doorloopt tot de woning wordt verkocht.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het feit dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning woont, zij geen partneralimentatie zal ontvangen en op de zitting is gebleken dat de woonlasten van de man op dit moment beperkt zijn, acht de rechtbank het onredelijk om een gebruiksvergoeding vast te stellen. Nog daargelaten dat de man niet heeft gesteld en onderbouwd wat de hoogte van de gebruiksvergoeding zou moeten zijn. Dit verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat gold voor 1 januari 2018, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 1998 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , en het gebruik van de zaken die behoren bij de woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand
*onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de (voormalige) echtelijke woning
de woning, gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij NIBC Direct Hypotheken B.V., wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
1.1. de man dient aan vrouw binnen één week na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie erkende makelaars voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest.
1.2. indien de vrouw niet binnen één week tot deze keuze overgaat, kiest de man één van de door hem voorgestelde makelaars uit;
1.3. partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar zal – als partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
1.4. als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, kunnen partijen of één van partijen de makelaar verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;
1.5. als de verkooprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en (notariële) levering van de woning aan de koper(s) tegen deze prijs;
1.6. de vrouw dient haar medewerking te verlenen aan de geplande bezichtigingen;
1.7. de vrouw dient er zorg voor te dragen dat de woning en de tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;
1.8. de termijn waarbinnen de woning na verkoop notarieel wordt geleverd aan de koper(s) bedraagt maximaal drie maanden;
1.9. ieder van partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris, en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;
1.10. de vrouw zal de woning per datum notariële levering aan de koper(s) verlaten en ontruimen met al het hare en de haren;
1.11. de netto-verkoopopbrengst (de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar) wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
1.12. als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan samenwerking van de vrouw, komen de kosten die de makelaar in rekening brengt voor rekening van de vrouw. Dit geldt ook voor de schade en of extra kosten veroorzaakt door het niet meewerken van de vrouw bij de afwikkeling van de notaris en door het niet correct opleveren van de woning aan de kopers;
1.13. het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij Rabobank met IBAN: [rekeningnummer 2] zal per de datum van de notariële levering van de woning aan de koper(s) tussen partijen bij helfte worden verdeeld, waarna de bankrekening zal worden opgeheven;
2de bank- en spaarrekeningen
2.1.
de bankrekening bij Rabobank met IBAN: [rekeningnummer 1] op naam van de man wordt aan de man toegedeeld, onder de verplichting aan de man om de helft van het saldo op de peildatum van € 2.090,76 aan de vrouw te voldoen;
2.2.
de vrouw dient de man inzage te geven in al haar bankrekeningen en de saldi daarvan over de periode van 15 augustus 2023 tot de peildatum 27 oktober 2023, onder de verplichting aan de vrouw om de helft van de saldi van haar bankrekeningen op de peildatum aan de man te voldoen;
2.3.
als uit de overgelegde afschriften blijkt dat het bedrag van € 6.700,- dat van de gezamenlijke spaarrekening is afgeschreven op de peildatum nog op de bankrekening(en) van de vrouw staat, dan word dit meegenomen in de verdeling van de saldi van deze bankrekening(en). Als blijkt dat het bedrag van € 6.700,- door de vrouw is uitgegeven en niet meer op haar bankrekening(en) staat, dan dient de vrouw dit bedrag aan de gemeenschap te vergoeden en zal dit bedrag daarna tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
3de auto
de auto van het merk Peugeot 108 met kenteken [kenteken] wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
4de belastingaanslagen 2023
iedere partij betaalt de eigen belastingaanslag over het jaar 2023, zonder nadere verrekening;
5de inboedel
aan de man worden toegedeeld, zonder nadere verrekening:
a) de mountainbike;
b) de racefiets;
c) de kleding van de man;
d) de nieuwe fietsjas;
e) de zaagtafel;
f) het handgereedschap (slijptol, stuk gereedschap, schroeftol makita, alle verzamelbakjes met boutjes, moertjes, ringetjes e.d.);
g) de laptop HP;
h) de ladder;
i) de trap met 8 treden;
j) het verhuishondje;
k) de opvouwbare steekwagen;
l) het computerscherp 27 inch;
m) de dvd writer, voor zover deze nog daadwerkelijk nog in de woning aanwezig is;
n) het fototoestel van het merk Canon;
en aan de vrouw wordt de overige inboedel toegedeeld, zonder nadere verrekening;
6Vergoedingsrecht uit hoofde erfenis
6.1.
de vrouw dient uiterlijk binnen vier weken na de datum van deze beschikking aan de man aan te tonen welk bedrag van de door haar onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis van € 106.509,69 is vermengd met gemeenschapsgeld en welk gedeelte daarvan vervolgens is besteed aan de verbouwingen van de echtelijke woning;
6.2.
partijen zullen kijken of zij in onderling overleg het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap kunnen vaststellen;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af al het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 mei 2025.
Beoordeling
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld.
Peildatum omvang en samenstelling
De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 27 oktober 2023, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, heeft te gelden. Voor de waardering heeft – voor zover de echtgenoten niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken:
de (voormalige) echtelijke woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij NIBC Direct Hypotheken B.V.;
de bank- en spaarrekeningen;
de auto van het merk Peugeot 108 met kenteken [kenteken] ;
de belastingaanslagen-/teruggaven
de inboedel.
De rechtbank dient verder een oordeel te geven over:
6. de verzochte vergoeding van de vrouw uit hoofde van de erfenis.
Ad 1. de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen
De man wil dat de woning wordt verkocht en heeft daartoe een spoorboekje opgesteld waarvan hij de rechtbank verzoekt dat te volgen. De vrouw zou het liefst in de woning blijven wonen en zij had gehoopt dat partijen daar in onderling overleg nog uit zouden komen. Zij wil in ieder geval dat de woning pas wordt verkocht na de eindexamens van [jongmeerderjarige 2] in mei 2025 en/of nadat de vrouw passende woonruimte heeft gevonden.
De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om in de voormalige echtelijke woning te blijven wonen. Echter is niet gebleken dat de vrouw financieel in staat is om de woning over te nemen. Zoals op de zitting al is besproken, zal de woning dus moeten worden verkocht.
De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen conform het door de man in zijn F9-formulier van 19 maart 2025 opgenomen spoorboekje. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om op te nemen dat deze beschikking dezelfde kracht zal hebben als de handtekening en parafen van de vrouw zoals opgenomen in randnummers 4, 11 en 12 van het door de man verzochte spoorboekje. Nu duidelijk op de zitting is besproken dat de woning verkocht zal worden, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw hieraan haar medewerking zal verlenen.
De man heeft verzocht te bepalen dat de verkoop in gang kan worden gezet één week na ontvangst van deze beschikking. De rechtbank zal deze termijn bepalen op één week na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, mede omdat de vrouw voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het voortgezet gebruik van de woning heeft.
Ad 2. de bank- en spaarrekeningen
Bankrekening op naam van de man
Tussen partijen is niet in geschil dat de Rabobank betaalrekening van de man met IBAN [rekeningnummer 1] aan de man kan worden toegedeeld, onder de verplichting aan de man om de helft van het saldo op de peildatum van € 2.090,76 aan de vrouw te voldoen.
Gezamenlijke bankrekening
Verder is niet in geschil dat het saldo van de gezamenlijke Rabobank betaalrekening met IBAN [rekeningnummer 2] per de datum van de verkoop van de echtelijke woning zal worden verdeeld, omdat die rekening nog wordt gebruikt voor de voldoening van de vaste lasten. De gezamenlijke betaalrekening kan daarna worden opgeheven. Dit zal worden opgenomen in het spoorboekje bij de verdeling van de echtelijke woning.
Bankrekeningen op naam van de vrouw
In geschil tussen partijen is hoe het zit met de bankrekening(en) van de vrouw en met het saldo van de gezamenlijke spaarrekening. Vaststaat dat de vrouw in ieder geval een Rabobank betaalrekening met heeft IBAN [rekeningnummer 3] . Volgens de man heeft de vrouw nog twee bankrekeningen, waarvan in ieder geval de bankrekening met IBAN [rekeningnummer 4] . De vrouw stelt dat één van die rekeningen haar spaarrekening is die inmiddels is opgeheven en van de andere rekening vermoedt zij dat die van [jongmeerderjarige 2] is. Omdat de vrouw geen afschriften heeft overgelegd van haar bankrekening(en), heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat die bankrekeningen er niet zijn of op naam van de kinderen staan. De vrouw zal door toezending van een overzicht van haar bankrekeningen en bankafschriften aan de man moeten aantonen welke bankrekeningen zij op de peildatum had en welk saldo daar op de peildatum op stond. De bankrekeningen worden dan aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw om de helft van de saldi op de peildatum aan de man te voldoen.
Gezamenlijke spaarrekening; vergoedingsrecht?
Daarnaast hebben partijen nog een gezamenlijke spaarrekening met IBAN [rekeningnummer 5] . De man heeft als productie 17 een overzicht overgelegd van de geldstromen op de spaarrekening, waaruit volgt dat er in augustus 2023 nog € 7.000,- op de spaarrekening stond en dat het saldo op de peildatum nihil was. De man stelt dat hij € 300,- van de spaarrekening heeft opgenomen voor de betaling van schoenen voor [jongmeerderjarige 2] . Volgens de man heeft de vrouw het resterende bedrag van € 6.700,- overgeboekt naar haar eigen bankrekening(en), op grond waarvan volgens hem een vergoedingsrecht is ontstaan op de gemeenschap. De stelling van de vrouw dat dit bedrag door de man is aangewend voor een campervakantie, heeft de man betwist. Volgens de man was de campervakantie op 28 juli 2023 al betaald. Op de zitting heeft de vrouw toegezegd om de man te laten zien wat er na de overboekingen met het bedrag van € 6.700,- is gebeurd. Door toezending van bankafschriften over de periode 15 augustus 2023 tot en met 27 oktober 2023 van de op haar naam staande bankrekeningen dient de vrouw aan de man aan te tonen wat er met voormeld bedrag is gebeurd.
Als blijkt dat het bedrag van € 6.700,- op de peildatum nog op de rekening van de vrouw stond, dan wordt dit meegenomen in de verdeling van de saldi van de bankrekeningen.
Als blijkt dat dit bedrag door de vrouw is uitgegeven, dan dient de vrouw dit bedrag eerst aan de gemeenschap te vergoeden, waarna dit bedrag bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. De rechtbank zal hiervoor een spoorboekje opnemen in de beslissing.
Ad 3. de auto
Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de vrouw kan worden toegedeeld, zonder nadere verrekening.
Ad 4. de belastingaanslagen 2023
Partijen hebben in onderling overleg afgesproken dat ieder de eigen belastingaanslag 2023 betaalt, zonder nadere verrekening.
Ad 5. de inboedel
De man heeft als productie 21 een inboedellijst overgelegd, waarop hij inboedelgoederen heeft opgenomen die hij nog wenst te ontvangen uit de echtelijke woning. De overige inboedel mag de vrouw houden, zonder verrekening.
De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Zij stelt dat zij de HP laptop, canon camera, ladder en trap met 8 treden persoonlijk in gebruik heeft. Het computerscherm is in gebruik bij [jongmeerderjarige 1] . De DVD-writer kent de vrouw niet. De racefiets heeft de vrouw gekocht uit haar erfenis en de mountainbike heeft zij van haar eerste salaris gekocht voor de man. Bovendien is alle inboedel aan vervanging toe.
De rechtbank ziet geen reden om het verzoek van de man af te wijzen. Dat de fietsen zijn bekostigd door de vrouw met eigen inkomen, zoals zij heeft gesteld, doet niet ter zake, nu het onderdeel uitmaakt van de gezamenlijke inboedel. De man wenst slechts een summier aantal inboedelgoederen; de vrouw mag de overige inboedel behouden zonder enige vergoeding.