Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:1505
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,374 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1738
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Glinka. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
4. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van begin af aan onrechtmatig is, omdat er geen grond is voor de inbewaringstelling. Eiser heeft zijn verblijf in
Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd en er is dus geen sprake van voortzetting van onrechtmatig verblijf. Eiser heeft verklaard dat hij eind september 2023 is vertrokken uit Nederland. Hij is toen naar Polen geweest en hij heeft daar toen ook gewerkt. Vervolgens is eiser in augustus 2024 teruggekeerd naar Nederland. Na zijn terugkomst is het besluit met de intrekking van zijn verblijfsrecht pas aan hem uitgereikt, maar hierin is dus niet meegenomen dat eiser zijn verblijf in Nederland al heeft beëindigd van september 2023 tot en met augustus 2024. De minister kan niet onverkort vasthouden aan de feiten uit 2023, deze zijn gedateerd. De inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is dus van meet af aan onrechtmatig, omdat eiser opnieuw rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Een Unieburger ten aanzien van wie het verblijfsrecht is ingetrokken, verkrijgt alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.1 De duur van de periode waarin de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verblijft, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen van belang waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken, waarbij relevante omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken. Aan het vereiste dat de banden met het gastland zijn verbroken is dus niet voldaan zolang, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet kan worden aangenomen dat de Unieburger zijn tijdelijke verblijf op het grondgebied van het gastland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. In dat geval is het gastland niet verplicht om een nieuw besluit te nemen. Het gastland kan zich dan dus baseren op het eerdere besluit.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser stelt van september 2023 tot en met augustus 2024 te zijn vertrokken naar Polen, maar kan dit niet onderbouwen met documenten. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden
1. Zie het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021 (C-719/19), ECLI:EU:C:2021:506 en o.a. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562.
aangenomen dat hij in Polen heeft geprobeerd een leven op te bouwen. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat het aan hem op 8 augustus 2024 uitgereikte besluit van 6 december 2023 tot intrekking van zijn verblijfsrecht hem niet meer mocht worden tegengeworpen. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de hem in dat besluit opgelegde verplichting om binnen een maand naar Polen terug te keren.
De maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is in zoverre dus rechtmatig aan eiser opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser verklaart namelijk dat hij weet dat hij identiteitsdocumenten nodig heeft voor zijn terugkeer, maar een beroep op de Poolse ambassade in Nederland is volgens hem geen optie. Daarom wil hij in Polen nieuwe identiteitsdocumenten aanvragen. Hij wil zich niet onttrekken aan het toezicht.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel, omdat het risico dat eiser zich bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling aan het toezicht onttrekt reëel is. De gronden van de maatregel van bewaring heeft eiser niet betwist. Uit deze gronden en de motivering blijkt dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Daarbij komt dat eiser de hem eerder geboden vertrektermijn bewust heeft overschreden door niet zelfstandig uit Nederland te vertrekken en heeft hij zich vervolgens aan het toezicht onttrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Polen. Eiser zit sinds 13 januari 2025 in bewaring en volgens hem is er sindsdien te weinig gewerkt aan zijn uitzetting. Zo is er naar zijn weten nog geen laissez-passer aanvraag verzonden aan de Poolse autoriteiten.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Polen. Er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 15 januari 2025 en er is een laissez-passer aanvraag verzonden op 20 januari 2025 aan de Poolse autoriteiten. De minister is afhankelijk van de Poolse autoriteiten omdat eiser geen identiteitspapieren heeft en een laissez-passer nodig is voor de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 januari 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.