Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:14990
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31797
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 17 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Lichter middel
2. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan, zoals een dagelijkse meldplicht bij de AVIM. Daartoe voert eiser aan dat uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding blijkt dat eiser zich conform de regels van het asielzoekerscentrum netjes heeft gemeld. Daarnaast heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 14 juli 2025 aangegeven mee te zullen werken aan zijn overdracht. In dit kader verwijst eiser naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 oktober 2008, zaak nr. 34082/02, JV 2008/414 (Rusu tegen Oostenrijk) en naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 28 april 2011, ECLI:EU:C:2011:268 (Hassen El Dridi). Ook betoogt hij aan de hand van pagina 402 van het boek Vreemdelingenbewaring dat de bewaring als ultimum remedium moet worden ingezet volgens het eerder genoemde arrest Rusu tegen Oostenrijk.
3. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling van eiser dat hij zich volgens de regels van het asielzoekerscentrum heeft gemeld, is in het licht van het voormelde onttrekkingsrisico onvoldoende om te concluderen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Wat betreft de stelling van eiser dat hij tijdens het vertrekgesprek heeft aangegeven mee te werken aan zijn overdracht, merkt de rechtbank op dat dit gesprek heeft plaatsgevonden ná de oplegging van de maatregel. Verweerder had deze verklaring dan ook niet in overweging hoeven te nemen. Tot slot heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel toe te passen, zoals in het arrest Rusu tegen Oostenrijk wel het geval. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van strijd met de door eiser aangehaalde arresten. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt dan ook niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het HvJEU van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.