Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:14988
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30305
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord door een afstandsverklaring te ondertekenen. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2. Verweerder heeft ter zitting de lichte grond 4f laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
3. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat het niet zijn intentie was om terug te keren naar Nederland, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zware grond 3a terecht aan eiser tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Hoewel eiser thans via een gereguleerde Dublinoverdracht vanuit Zwitserland is overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten, volgt uit het dossier dat eiser zich eerder zonder paspoort met visum in Nederland heeft begeven. De stelling van eiser dat hij niet de bedoeling had om naar Nederland te komen, doet aan het voorgaande niet af.
4. Met betrekking tot de zware grond 3e voert eiser aan dat de tegenstrijdige persoonsgegevens het gevolg zijn van een schrijffout en dat hij niet opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook de zware grond 3e terecht aan eiser tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Uit de door de Zwitserse autoriteiten opgemaakte laissez-passer blijkt namelijk dat eiser tegenstrijdige personalia heeft opgegeven. Het betoog van eiser doet aan de feitelijkheid hiervan niet af. Verweerder heeft de zware grond 3e dan ook terecht aan eiser mogen tegenwerpen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het verschil in de opgegeven namen mogelijk kan komen door een kennelijke verschrijving, maar dit geldt niet voor de verschillen in de opgegeven geboortedata. Deze zijn zodanig afwijkend dat van een kennelijke verschrijving geen sprake kan zijn.
5. De zware gronden 3a en 3e en de niet bestreden gronden 3b, 3c, 3d, 4a, 4c en 4d zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.