Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:14966
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
942 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34757
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
1. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de rechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank stelt vast dat eiser na bestudering van het dossier geen op- of aanmerkingen heeft en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank toetst het voortduren van de maatregel dan ook ambtshalve.
1.1.
De onbetwiste zware en lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Deze gronden kunnen de maatregel dragen omdat zij feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht. De wens van eiser om met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te vertrekken, maakt niet dat aan eiser een lichter middel moet worden opgelegd. Voor een vertrek met de IOM moet eiser namelijk in het bezit zijn of komen van een geldig reisdocument. Hiervan is op dit moment geen sprake. De rechtbank is niet gebleken dat zicht op uitzetting naar Tunesië in het algemeen ontbreekt. De minister heeft op zitting toegelicht dat een laissez-passer (lp) aanvraag bij de Tunesische autoriteiten loopt. Ook hebben de Tunesische autoriteiten niet te kennen gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Daarnaast heeft de minister op zitting toegelicht dat op 24 juli 2025 is gerappelleerd op de lp aanvraag van eiser en dat met hem op 30 juli 2025 een vertrekgesprek is gehouden. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In het hierboven genoemde ziet de rechtbank dan ook geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ABRvS 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990, recent bevestigd ABRvS, 28 januari 2025, ECLI:NLRVS:2025:275.