Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:14961
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15774
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2025 op zitting behandeld te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De zitting heeft zonder tolk plaatsgevonden, omdat de tolk niet is verschenen en eiser heeft verklaard de Nederlandse taal voldoende te beheersen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Guinese nationaliteit te hebben. Op 29 oktober 2023 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij na het overlijden van zijn moeder tot zijn elfde jaar verbleef bij een vriendin van haar. Nadat deze vriendin ging trouwen, is eiser ondergebracht bij haar familie, de familie [achternaam]. Volgens eiser heeft deze familie hem gedurende meerdere jaren mishandeld, gediscrimineerd en onder dwang arbeid laten verrichten. Ook wilde de familie [achternaam] hem opgeven voor de militaire dienst. Eiser vreest bij terugkeer naar Guinee alsnog door deze familie naar de militaire dienst te worden gestuurd. Daarnaast voert eiser aan dat terugkeer naar Guinee in strijd is met artikel 8 van het EVRM, nu hij in Nederland gezinsleven uitoefent met zijn Nederlandse partner en hun in Nederland geboren zoon.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Onder toepassing van paragraaf C1/4.1, onder 5, van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder afgezien van de gebruikelijke beslissystematiek waarbij eerst de geloofwaardigheid wordt beoordeeld. De verklaringen van eiser over de mishandeling en discriminatie zijn betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Verweerder acht dit niet aannemelijk. Verder neemt verweerder aan dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser, zijn partner en hun zoon, maar stelt dat het gezinsleven in Guinee kan worden uitgeoefend. Volgens verweerder levert dat geen schending van artikel 8 van het EVRM op. Omdat eiser mogelijk onder het toepassingsbereik valt van het arrest Chavez-Vilchez, is in het bestreden besluit afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Het dossier van eiser is daartoe doorgezonden voor een nadere beoordeling door een andere afdeling van verweerder.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft verleend, nu uitzetting naar Guinee in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser staat niet ter discussie dat sprake is van gezinsleven met zijn Nederlandse partner en hun Nederlandse zoon. Van hen kan niet worden verwacht hun Nederlandse nationaliteit op te geven, nu in Guinee het hebben van een dubbele nationaliteit niet mogelijk is. Bovendien hebben zijn partner en kind geen binding met Guinee en is het onrealistisch om te veronderstellen dat zij zich daar kunnen vestigen. De door verweerder gestelde keuzevrijheid om het gezinsleven in Guinee uit te oefenen is slechts theoretisch. Verder heeft verweerder het belang van het kind en de bescherming van het Unieburgerschap van zijn zoon onvoldoende meegewogen. In dit verband verwijst hij naar het arrest Chavez-Vilchez en de jurisprudentie van het EHRM in de zaken Jeunesse tegen Nederland en El Ghatet tegen Zwitserland. Ten onrechte heeft verweerder het economisch belang van de Staat laten prevaleren. Ter zitting is daar nog aan toegevoegd dat sprake is van een ‘certain degree of hardship’, waardoor terugkeer naar Guinee onredelijk bezwarend is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ter zitting is door eiser bevestigd dat uitsluitend in geschil is of verweerder aan eiser een reguliere verblijfsvergunning had moeten verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM.
5. Artikel 8 van het EVRM beschermt het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Nu door verweerder is vastgesteld dat sprake is van gezinsleven, dient verweerder het belang van de Nederlandse staat af te wegen tegen het belang van eiser om zo te beoordelen of het vastgestelde gezinsleven ook met zich brengt dat het verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Bij de belangenafweging moeten alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, waaronder eventuele objectieve of subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dienen in alle beslissing de belangen van het kind een eerste overweging te vormen. Hoewel de belangen van het kind op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, dient hieraan aanzienlijk gewicht toe te komen. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Deze toetsing door de rechter is een volle toets. De rechtbank toetst vervolgens terughoudend of verweerder in redelijkheid tot een evenwichtige belangenafweging (fair balance) is gekomen, gelet op de hem toekomende beoordelingsruimte (margin of appreciation).
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gezinsleven in Guinee kan worden uitgeoefend. Daartoe verwijst hij naar de mogelijkheid dat de zoon van eiser de Guinese nationaliteit kan verkrijgen en dat zijn partner, die de Nederlandse nationaliteit bezit, zich zou kunnen voegen bij het gezin en binnen drie jaar de Guinese nationaliteit kan verkrijgen. De rechtbank overweegt dat verweerder niet kenbaar heeft beoordeeld wat de gevolgen zijn van een eventuele verkrijging van de Guinese nationaliteit voor het kind, zoals het verlies van zijn Nederlandse nationaliteit en de daarmee samenhangende Unierechten. Evenmin is kenbaar overwogen wat de gevolgen zijn voor het recht van het kind om gezinsleven met beide ouders binnen de Europese Unie uit te oefenen. Ook ten aanzien van de partner van eiser is niet beoordeeld wat een eventuele verhuizing naar Guinee betekent voor haar nationale en Unierechtelijke positie en welk gewicht daaraan toekomt.
7. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser bij terugkeer heeft benoemd, waaronder dat hij Guinee op een jonge leeftijd heeft verlaten, weinig scholing heeft gevolgd, enkel onder dwang heeft gewerkt en geen familieleden heeft waarop hij kan terugvallen. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het bestaan van een sociaal vangnet in Guinee in de vorm van een wezenpensioen en een relatief laag werkloosheidspercentage aldaar. Verweerder heeft echter niet duidelijk gemaakt hoe deze omstandigheden zijn meegewogen in het belang van het kind. Zo is niet beoordeeld of het in het belang van het kind is om op te groeien in een omgeving waar zijn vader, op basis van verweerders eigen overwegingen, slechts beperkt zelfredzaam is. Ook is niet inzichtelijk gemaakt of het gezinsleven in Guinee onder deze omstandigheden redelijkerwijs kan worden uitgeoefend. Daarmee is niet onderbouwd dat het gezinsleven buiten Nederland in dit geval redelijkerwijs van het gezin kan worden gevergd.
8. Verweerder heeft ter zitting erkend dat bij terugkeer sprake is van een ‘certain degree of hardship’. Uit de werkinstructie 2020/16 volgt dat verweerder in dat geval is gehouden te beoordelen of en in hoeverre deze subjectieve belemmeringen die het gezinsleven in Guinee bemoeilijken of onmogelijk maken, worden afgewogen tegen de binding van de gezinsleden met Nederland en Guinee. Daarbij dient verweerder de binding van elk gezinslid afzonderlijk in de beoordeling te betrekken. Ook dienen de belangen van het kind te worden betrokken bij de vraag wat de meest adequate wijze is voor het kind om zijn gezinsleven met de ouders te ontwikkelen. Verweerder heeft zich echter beperkt tot de vaststelling dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Guinee uit te oefenen. Daarmee heeft verweerder het belang van het kind onvoldoende meegewogen in zijn beoordeling, terwijl dit een essentieel onderdeel vormt van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814
(duizend achthonderdveertien euro).
Deze uitspraak is gedaan op 8 augustus 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, C-133/15.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, 3 oktober 2014.
ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, 8 november 2016.
Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
Zie de paragrafen 7.4-7.7. van de WI 2020/16.
Algemene wet bestuursrecht.