Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:14938
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,042 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35027
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 10 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 30 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 5 augustus 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Indiase nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1988.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert tegen het voortduren van de maatregel van bewaring aan dat er geen zicht is op uitzetting. Eiser zit inmiddels bijna drie maanden in bewaring, zonder dat enige reactie is ontvangen op de lp-aanvraag of de rappels. Verder stelt eiser dat zijn belangen bij invrijheidstelling zwaarder wegen, omdat hij pogingen doet om een verblijfsvergunning te krijgen voor verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse kind.
5. Niet is gebleken dat in zijn algemeenheid of in het specifieke geval van eiser niet kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting. Dat de Indiase autoriteiten nog niet op de lp-aanvraag en de rappels hebben gereageerd maakt dit niet anders. Hieruit blijkt niet dat de Indiase autoriteiten niet binnen afzienbare tijd een lp aan eiser zullen.
6. Ook de stelling dat eiser bij zijn kind in Nederland wil verblijven leidt niet tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar India ontbreekt. Eiser heeft (nog altijd) niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:9072.
Laissez-passer.