Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:14917
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,077 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22711
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres en
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: I.A.G. Lodders).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van eisers en over de afwijzing van de visumaanvragen van eisers.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa. De stelling van eisers dat er sprake is van discriminatie naar sociale dan wel economische status volgt de rechtbank niet. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister van horen in de bezwaarprocedure heeft mogen afzien. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers komen uit Marokko. Eiseres is een 46-jarige vrouw en eiser is haar 21- jarige zoon. Eisers hebben allebei een visum voor kort verblijf aangevraagd om hun neef, meneer [referent] (referent) en zijn echtgenote te bezoeken. De minister heeft beide aanvragen met de besluiten van 12 januari 2024 (de primaire besluiten) afgewezen. Eisers hebben op 13 februari 2024 middels één bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Omdat een beslissing op het bezwaar uitbleef, hebben eisers de minister op 14 mei 2024 in gebreke gesteld en vervolgens op 30 mei 2024 een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar ingesteld.
4. Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 heeft de minister alsnog beslist op het bezwaar. De minister heeft het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben op 16 oktober 2024 gronden ingediend tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Beroep niet tijdig
6. De rechtbank stelt vast dat de minister op 16 juli 2024 een besluit op het bezwaar van eisers heeft genomen. Dat betekent dat er geen procesbelang meer bestaat bij een beoordeling van het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank verklaart dit beroep daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt voor het instellen van dit beroep. Niet in geschil is namelijk dat de minister te laat heeft beslist op het bezwaar.
7. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit van 16 juli 2024. Eisers kunnen zich niet met het besluit verenigen. Daar zal de rechtbank hierna op ingaan.
Beroep tegen de afwijzing van de visumaanvragen
8. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de visumaanvragen gehandhaafd, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa. Dit laatste omdat de economische en sociale binding met Marokko volgens de minister onvoldoende is aangetoond dan wel gering is.
Twijfel bij tijdige terugkeer
9. Eisers zijn van mening dat de minister ten onrechte twijfelt aan hun voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko.
10. Eiseres voert hiertoe aan dat bij de beoordeling van haar sociale en economische binding met Marokko, onvoldoende gewicht is toegekend aan haar huwelijk en het feit dat zij haar echtgenoot in Marokko achterlaat. Eiseres stelt dat een huwelijk op zich al doorslaggevend kan zijn en dat zij vanwege haar huwelijk een zeer sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het standpunt van de minister dat hij geen dan wel geringe economische of sociale binding met Marokko heeft.
11. De rechtbank overweegt als volgt. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de minister over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is.1 De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
12. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten, toetst de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het vestigingsgevaar toe- of afnemen. Het is dan ook aan eisers om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Marokko dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat er gezien de sociale of economische binding met Marokko redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten.
14. De minister heeft hierbij mogen meewegen dat is gesteld noch gebleken dat eiser betaald werk verricht dan wel studeert. Niet is gebleken hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet. Verder mocht de minister meewegen dat eiser jong en ongehuwd is en geen kinderen heeft. Het feit dat de ouders van eiser in Marokko verblijven, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de sociale binding van eiser met Marokko dusdanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is, temeer nu zijn moeder met hem mee zal reizen. Tot slot mocht de minister meewegen dat is gesteld, noch gebleken dat eiser zorgtaken of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft waarvoor hij tijdig naar Marokko zou moeten terugkeren.
15. Met betrekking tot de sociale en economische binding van eiseres met Marokko heeft de minister mogen meewegen dat zij huisvrouw is en dat daarnaast niet is gebleken hoe zij in haar onderhoud voorziet. Eiseres heeft dus niet aangetoond dat zij voldoende economische binding heeft met Marokko. Verder mocht de minister meewegen dat eiseres, net als eiser, geen zorgtaken of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft waardoor zij tijdig naar Marokko zou moeten terugkeren. Tot slot mocht de minister meewegen dat niet is gesteld of gebleken dat eiseres meer kinderen heeft dan de zoon die juist met haar mee wil reizen.
16. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat eiseres gehuwd is en de echtgenoot in Marokko achterblijft, niet genoeg is om de twijfel over tijdige terugkeer van eisers naar het land van herkomst weg te nemen.
17. Nu iedere weigeringsgrond afzonderlijk voldoende is om een visum te weigeren en de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van de visa dus zelfstandig kan dragen, behoeft de andere weigeringsgrond (dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond) geen bespreking.
Discriminatie naar sociale en economische status
18. Eisers voeren aan dat het vereiste van economische binding discriminatie naar sociale status oplevert. Deze discriminatie is niet proportioneel, omdat er sprake is van een zeer sterke sociale binding. Door vast te houden aan een verondersteld vereiste van economische binding geeft de minister een interpretatie aan unierechtelijke regelgeving die lijnrecht ingaat tegen titel 3 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. De minister discrimineert immers naar economische status, welke discriminatie niet gerechtvaardigd, laat staan proportioneel is. Het enkele feit dat iemand geen economische binding heeft maakt een weigering nog niet gerechtvaardigd en ontneemt mensen zonder economische binding de mogelijkheid om familie te bezoeken binnen het Schengengebied.
19. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van discriminatie naar sociale dan wel economische status. In dat verband wijst de rechtbank erop dat de minister geen onderscheid maakt op basis van sociale status in die zin dat het hebben van een bepaalde status leidt tot toe- of juist afwijzing van een gevraagd visum. Iemand met een hoge sociale dan wel economische status kan geen of nauwelijks binding hebben met het land van herkomst, bijvoorbeeld omdat hij leeft van het vermogen dat hij heeft, geen maatschappelijke verplichtingen heeft, voor niemand zorgdraagt en geen gezin achterlaat. Iemand met een lage sociale dan wel economische status kan wel voldoende binding hebben met het land van herkomst omdat diegene een gezin achterlaat en een vast arbeidscontract heeft. Andersom kan dit net zo goed het geval zijn. De minister beoordeelt dus (onder meer) de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en dient op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie met name rekening te houden met zijn gezins-, sociale en economische situatie. Dat heeft de minister in dit geval ook gedaan. Het betoog faalt dan ook.
Hoorplicht
20. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting in de bezwaarprocedure. In het bestreden besluit verwijst de minister naar het ‘gestelde’ huwelijk, waaruit eisers opmaken dat er bij de minister twijfel bestaat over het al dan niet bestaan van een huwelijk. Daarover hadden eisers gehoord moeten worden.
21.
Conclusie
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eisers geen visum kort verblijf heeft hoeven te verstrekken.
24. Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en eisers dus terecht een beroep niet tijdig hebben ingesteld, wordt de minister veroordeeld in de kosten die eisers in zoverre heeft moeten maken. De proceskosten voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
1. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
2 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.