Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:14912
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,715 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15491
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kuster).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar zoon [referent] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van die aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ten eerste voert eiseres aan dat de minister ten onrechte niet het op 1 oktober 2012 afgeschafte ouderenbeleid heeft toegepast, wat strijd oplevert met artikel 13 (de standstill-bepaling) van Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80). Ten tweede voert eiseres aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat weigering van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling van Besluit 1/80 omdat zij niet kan worden aangemerkt als ten laste komend familielid van referent. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat weigering van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hieronder staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf randnummer 8. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
4. Op 21 maart 2022 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’, zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Op 28 juni 2022 heeft verweerder met het primaire besluit deze aanvraag afgewezen.
5. Met het bestreden besluit van 5 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Z. Kaya als tolk en de gemachtigde van de minister. Eiseres werd vergezeld door haar zoon, [referent] (referent) en haar dochter.
Beoordeling
8. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1947, heeft de Turkse nationaliteit en beoogt verblijf bij referent. Eiseres is op 21 december 2021 met een visum Nederland ingereisd. Eiseres heeft van 1975 tot 1985 in Nederland verblijfsrecht genoten. Op 21 maart 2022 heeft zij de aanvraag gedaan.
9. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres niet voldoet aan het mvv-vereiste en er geen reden bestaat om eiseres hiervan vrij te stellen. Hiertoe stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres haar medische omstandigheden niet voldoende heeft onderbouwd nu zij geen compleet medisch dossier heeft overgelegd en zij heeft afgezien van een medisch advies van Bureau Medische Advisering (BMA). Daarnaast stelt de minister dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan het inmiddels afgeschafte ouderenbeleid omdat niet is aangetoond dat eiseres kan worden aangemerkt als een ten laste van referent komend familielid. Verder stelt de minister dat uitzetting van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Er is tussen eiseres en referent namelijk geen sprake van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In het kader van privéleven weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiseres om privéleven in Nederland te kunnen uitoefenen. De minister ziet geen aanleiding tot het toepassen van de hardheidsclausule of tot ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning.
Kan eiseres rechten ontlenen aan de standstill-bepaling van Besluit 1/80?
10. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste. Zij voert hiertoe aan dat zij aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van het op 1 oktober 2012 afgeschafte ouderenbeleid, dat was neergelegd in artikel 3.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), in samenhang gezien met artikel 13 van Besluit 1/80. Eiseres stelt dat zij voldoet aan de destijds in het ouderenbeleid gestelde vereisten om een verblijfsrecht te krijgen.
11. De rechtbank moet allereerst beoordelen of eiseres rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling. Hierbij staat ter discussie of zij aangemerkt moet worden als gezinslid als bedoeld in deze bepaling.
12. In besluit 1/80 is het begrip gezinslid niet nader omschreven. In overweging 45 van het arrest van 30 september 2004 (Ayaz, ECLI:EU:C:2004:570) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) geoordeeld dat voor de invulling van dit begrip te rade moet worden gegaan bij de strekking van artikel 10, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. Deze bepaling is inmiddels vervangen door artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn 2004/38/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG). Hieruit volgt dat onder het begrip gezinslid onder meer dient te worden begrepen de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder artikel 2, tweede lid, onder b, van de Verblijfsrichtlijn, die te hunnen laste zijn.
13. In het arrest van het HvJ van 9 januari 2007 (Jia, ECLI:EU:C:2007:1) is voor recht verklaard dat voor een antwoord op de vraag of een gezinslid ten laste komt van de burger van de Unie dient te worden beoordeeld in hoeverre het gezinslid materieel wordt gesteund en in hoeverre de materiële ondersteuning nodig is voor het familielid, gelet op diens economische en sociale toestand, om in zijn of haar basisbehoeften te kunnen voorzien in de lidstaat van oorsprong of herkomst op het moment dat hij of zij verzoekt om hereniging met die Unieburger.
14. Niet ter discussie staat dat eiseres een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is van referent, zodat alleen beoordeeld hoeft te worden of eiseres ten laste kwam van referent op het moment dat zij de aanvraag heeft ingediend. Uit wat is overwogen in overweging 12 volgt dat de minister in dat kader dient te beoordelen of materiële ondersteuning van eiseres op 21 maart 2022 noodzakelijk was teneinde in Turkije in haar basisbehoeften te kunnen voorzien. Nu eiseres reeds langere tijd in Nederland verblijft, heeft dit op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6823), tot gevolg dat de minister de fictieve situatie in Turkije dient te beoordelen om te bepalen of eiseres aldaar ten laste zou komen van referent.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres op 21 maart 2022 vanwege haar sociale en economische toestand niet in haar basisbehoeften kon voorzien. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de procedure tot aan het beroep heeft eiser zich enkel beroepen op het feit dat ze financieel ten laste kwam van referent. Niet ter discussie staat dat eiseres beschikte over een maandelijkse AOW-uitkering. Eiseres heeft niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij met deze uitkering niet in haar basisbehoeften kon voorzien en hiervoor afhankelijk was van referent. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat zij reeds langere tijd financieel werd ondersteund door referent. Eiseres heeft immers niet inzichtelijk gemaakt welke vaste lasten zij heeft en welke kosten zij verder maakt om in haar zorgbehoefte en levensonderhoud te voorzien. Eiseres heeft enkel bankafschriften overgelegd van september, oktober en december 2021 van rekeninghouder S. Candan, één van de andere kinderen van eiseres. Hiermee heeft eiseres aangetoond dat zij geld heeft ontvangen van haar dochter, maar niet dat deze ondersteuning noodzakelijk was om in haar basisbehoeften te voorzien of dat referent degene is die haar de ondersteuning biedt.
16. In aanvulling op het bovenstaande, voert eiseres voor het eerst in beroep aan dat bij de vraag of zij in haar basisbehoeften kan voorzien, niet alleen haar economische situatie, maar ook haar sociale situatie in medische zin moet worden betrokken. Haar medische situatie werd eerder enkel benoemd in het kader van het mvv-vereiste. Nu stelt eiseres dat zij gelet op haar medische situatie al ruim twee jaar niet in staat is om in haar basisbehoeften te voorzien. Eiseres voert hiertoe aan dat de minister een te strikt toetsingskader heeft toegepast, waarbij ten onrechte de nadruk ligt op het bieden van materiële ondersteuning in financiële zin. In het sociale medische kader voert eiseres aan dat zij dementerend is en daarom afhankelijk is van ondersteuning van referent en haar overige kinderen. Eiseres woont inmiddels al meer dan drie jaar bij haar kinderen en heeft hun hulp nodig bij maaltijden, medicatie en persoonlijke hygiëne. Deze ondersteuning zou, vanwege haar medische situatie, noodzakelijk en reëel zijn wat eiseres een ten laste komend gezinslid maakt. Eiseres verwijst hiervoor naar de medische stukken die zijn overgelegd in bezwaar.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit geen aanleiding heeft hoeven zien om het begrip ‘ten laste zijn van’ medisch te benaderen aangezien dit in beroep voor het eerst is aangevoerd. Vanaf de aanvraag is het ‘ten laste komen van’ economisch ingekleurd en kwam de medische situatie enkel in het kader van het mvv-vereiste ter sprake. Ook de rechtbank zal niet inhoudelijk in gaan op de medische situatie.
Conclusie
26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
De rechtbank beschikt immers niet over de medische deskundigheid om, op basis van de in beroep overgelegde stukken, die allemaal ook ten behoeve van de bezwaarprocedure zijn overgelegd, de medische situatie van eiseres en de daaruit voortvloeiende gestelde noodzakelijke medische zorgbehoefte te beoordelen.
18. In dit kader wordt opgemerkt dat de minister de medische situatie van eiseres (dus) wel heeft willen beoordelen in het kader van een eventuele vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In dit kader heeft de minister echter geoordeeld dat eiseres haar medische situatie niet voldoende heeft onderbouwd, aangezien geen volledig medisch dossier is overgelegd en eiseres heeft afgezien van een BMA-onderzoek. Het ontbreken van medische informatie dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eisers te komen, temeer nu haar verschillende keren is verzocht een volledig medisch dossier te overleggen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres voor de gestelde noodzakelijke zorg alleen op referent is aangewezen, nu eiseres ook van haar andere kinderen zorg ontvangt en in Turkije nog familieleden wonen waarvan niet is gebleken dat op hen geen beroep kan worden gedaan.
19. Gelet op hetgeen is overwogen is niet gebleken dat eiseres ten laste komt van referent. Zij valt om die reden niet onder het begrip ‘gezinslid’ als bedoeld in Besluit 1/80 en kan dus geen rechten ontlenen aan de standstill-bepaling. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het afgeschafte ouderenbeleid niet op eiseres hoefde te worden toegepast en dat zij dus niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv- vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er tussen eiseres en referent sprake van beschermingswaardig gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM?
20. Tussen partijen staat verder ter discussie of tussen eiseres en referent sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In de beroepsgronden heeft eiseres zeer summier gesteld dat de minister ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen haarzelf en referent en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Deze beroepsgrond zou nader worden aangevuld, hetgeen pas ter zitting gebeurd is. De minister noch de rechtbank heeft zich op dit standpunt van eiseres kunnen voorbereiden, waardoor hierop niet adequaat kon worden gereageerd. Er zal daarom slechts een korte bespreking van deze beroepsgrond volgen.
21. Eiseres voert aan dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM omdat zij inmiddels ruim drie jaar bij haar kinderen woont, die tevens in haar levensonderhoud voorzien en haar verzorgen. Eiseres is dementerend en stelt dat zij exclusief afhankelijk is van de zorg van haar familie in Nederland. Ten aanzien van de belangenafweging stelt eiseres dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het economisch belang van de staat zwaarder weegt dan de belangen van eiseres.
22. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), volgt dat pas sprake is van (beschermenswaardig) gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat tussen haar en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding en dat er dus familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. De rechtbank verwijst hierbij (bijvoorbeeld) naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1003). Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan per definitie geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van het EVRM.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van eiseres met referent en dat daarom ook geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft alle feiten en omstandigheden meegewogen, namelijk dat eiseres tussen 1985 en 2022 altijd contact op afstand heeft onderhouden met referent, dat zij in Nederland niet samenwoont met referent, dat niet is gebleken dat zij financieel afhankelijk is van referent en dat niet is aangetoond dat er geen reëel alternatief is in Turkije voor de zorg die referent aan haar geeft. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
24. Ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op het arrest van het EHRM van 10 december 2024 (Martinez Alvarado, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021) waarin een bijzondere afhankelijkheid werd aangenomen tussen een volwassen man met een verstandelijke beperking en zijn volwassen zussen die de dagelijkse zorg voor hem droegen. Eiseres stelt dat uit dit arrest volgt dat het geen vereiste is dat eiseres exclusief afhankelijk is van referent. Het feit dat referent en de andere kinderen van eiseres de zorgtaken verdelen, hoeft volgens eiseres niet in de weg te staan aan het bestaan van een bijzondere afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Met de minister is de rechtbank van mening dat dit arrest niet van toepassing is op de situatie van eiseres. In het arrest is immers vastgesteld dat in het land van herkomst van de aanvrager geen beroep kon worden gedaan op medische voorzieningen of zorginstellingen. In het geval van eiseres is echter niet gebleken dat in Turkije geen alternatief is voor de zorg die referent en haar andere kinderen momenteel op zich nemen.
25. Nu de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, wordt niet aan de belangenafweging toegekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.