Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:14869
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,325 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8879
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder
(gemachtigde: mr. A.P. Eendebak)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., vergunninghoudster
(gemachtigden: D. van der Plas en E. van der Plas).
Inleiding
Bij besluit van 18 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 28 appartementen met parkeergarage op het perceel [adres] in [plaats] .
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Nadien zijn nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Vergunninghoudster heeft haar zienswijze naar voren gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2025. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.
Waar gaat deze zaak over?
Feiten
1. Vergunninghoudster is eigenaar van het pand aan de [adres] . In dit pand bevond zich een school. Vergunninghoudster wil in dit pand 28 appartementen realiseren. Vergunninghoudster heeft op 27 oktober 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor dit bouwplan.
1.1.
Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ verleend. Het bouwplan is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan “Hoornes”, omdat de geldende bestemming “Maatschappelijk” geen woningen toelaat. Verweerder heeft daarom ook een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’. Verweerder heeft hierbij de afwijkingsbevoegdheid in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) toegepast. Aan het bestreden besluit is een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit is geconcludeerd dat het project, gelet op de ruimtelijke onderbouwing, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
2. Eiseres woont in de buurt van het project. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Eiseres heeft een omvangrijk beroepschrift ingediend. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij wil dat de rechtbank over drie onderwerpen in dit beroepschrift een oordeel geeft: volgens eiseres hebben niet alle relevante stukken met het ontwerpbesluit ter inzage gelegen, is het ecologisch onderzoek onzorgvuldig verricht en is er strijd met de Wet natuurbescherming (Wnb) omdat rust- en foerageergebied van de slechtvalk verloren gaat.
2.1.
Ter zitting heeft eiseres laten weten dat ze begrijpt dat de beroepsgronden over de kap van de bomen niet in deze procedure aan de orde kunnen komen, maar in de procedure omtrent de daarvoor verleende kapvergunning. Ook heeft eiseres ter zitting laten weten dat zij niet langer betwist dat het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen in overeenstemming met het vleermuizenprotocol is uitgevoerd en dat zij niet langer vreest voor schade van de bouwwerkzaamheden dan wel dat dit niet op zorgvuldige manier zal worden opgelost.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ontbrekende stukken
5. Eiseres betoogt dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door na de indiening van de zienswijzen ontbrekende stukken aan het bestreden besluit toe te voegen. Volgens eiseres is het niet duidelijk of deze stukken zijn gebruikt bij het vaststellen van het ontwerpbesluit en ter inzage hebben gelegen. Eiseres betoogt verder dat ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning er nog geen Programma van Eisen (PvE) voor de Brandmeldinstallatie/Ontruimingsalarminstallatie was opgesteld.
5.1.
Verweerder erkent dat een aantal bij het ontwerpbesluit behorende stukken ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd. Het gaat om het archeologisch onderzoek, de Quickscan Wnb, het nader onderzoek Wnb, de aanvullende parkeermeting van Datacount uit 2023 en de ‘randvoorwaarden en eisen bomen’. Volgens verweerder is eiseres echter niet benadeeld doordat dit niet is gebeurd. Verweerder betoogt dat eiseres uit het ontwerpbesluit en de bijlagelijst had kunnen begrijpen dat deze stukken bestonden. Zij had daarom in haar zienswijze kunnen aanvoeren dat deze stukken nog ter inzage moesten worden gelegd of zij had deze stukken kunnen opvragen. Verweerder heeft verder toegelicht dat het PvE nog niet hoefde te worden overgelegd bij de aanvraag. Deze stukken worden pas overgelegd op het moment dat een melding wordt gedaan dat het pand in gebruik zal worden genomen. Op dat moment zal een toezichthouder controleren of de brandmeldingsinstallatie voldoet.
5.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het archeologisch onderzoek, de Quickscan Wnb, het nader onderzoek Wnb, de aanvullende parkeermeting van Datacount uit 2023 en de ‘randvoorwaarden en eisen bomen’ moeten worden aangemerkt als op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken, zoals bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat verweerder deze stukken met het ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen. Door deze stukken niet ter inzage te leggen, heeft verweerder in strijd met dit artikel gehandeld. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren. Het is namelijk aannemelijk dat eiseres en eventuele andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de stukken niet ter inzage hebben gelegen. Eiseres en eventuele andere belanghebbenden hebben immers alsnog kennis kunnen nemen van deze stukken. Eiseres heeft verder in beroep haar bezwaren over de inhoud van deze stukken volledig naar voren kunnen brengen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet wordt vernietigd, vanwege de strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.
5.4.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het PvE voor de Brandmeldinstallatie/Ontruimingsalarminstallatie al bij de verlening van de vergunning aanwezig had moeten zijn. De rechtbank ziet geen reden om de uitleg van verweerder dat dit pas in de uitvoeringsfase wordt opgesteld en gecontroleerd niet te volgen. Eiseres heeft ter zitting ook gezegd dat zij deze uitleg niet betwist.
Ecologie
6. Eiseres betoogt dat de Quickscan Wnb van 23 juni 2021 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres voert hiertoe aan dat volgens de Quickscan het plangebied slechts één dag is bezocht door de ecologen. Volgens eiseres konden de ecologen in zo’n korte tijd niet voldoende onderzoek verrichten. Eiseres ziet hiervoor bewijs in de omstandigheid dat in het ecologisch rapport wordt geconcludeerd dat de grote gele kwikstaart niet in het gebied voorkomt, terwijl er waarnemingen zijn geweest van deze vogel in het gebied.
6.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Quickscan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het onderzoek is gebaseerd op bureau-onderzoek en één dag veldonderzoek. In de Quickscan staat dat het doel van het veldonderzoek is om een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. De rechtbank ziet niet in dat één dag veldonderzoek hiervoor te kort is. Het betreft een relatief klein plangebied en het onderzoek is verricht door deskundige ecologen die weten waarnaar ze moeten kijken om de ecologische kwaliteiten te beoordelen.
6.2.
Dat volgens eiseres de grote gele kwikstaart in het gebied is waargenomen, leidt niet tot een ander oordeel. In tabel 3 in paragraaf 4 van de Quickscan is erkend dat de grote gele kwikstaart in of nabij het plangebied is waargenomen. Het is dus niet zo dat de aanwezigheid van de grote gele kwikstaart door de ecologen is gemist, zoals eiseres stelt. In de Quickscan is echter geconcludeerd dat effecten op deze soort zijn uitgesloten. De reden hiervoor is dat binnen het plangebied geen geschikt broedbiotoop aanwezig is, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. In de nadere toelichting van 17 januari 2025 heeft de ecoloog verder toegelicht dat de grote gele kwikstaart een jaarrond beschermd nest heeft. Dit betekent dat het hele jaar door het nest niet verwijderd of verstoord mag worden. De grote gele kwikstaart broedt echter langs stromende rivieren. Dit broedhabitat is in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig. Een nest van een grote gele kwikstaart binnen het plangebied is daarom uitgesloten. Dit betekent dat effecten op de grote gele kwikstaart zijn uitgesloten. Eiseres heeft geen informatie overgelegd waaruit volgt dat die conclusie onjuist is.
Slechtvalk
7. Eiseres betoogt dat het bouwplan zal leiden tot een overtreding van de Wnb vanwege de aanwezigheid van de slechtvalk. Eiseres heeft aangevoerd dat op korte afstand van het plangebied een mast staat waar regelmatig een slechtvalk is waargenomen die daarop rust. Volgens eiseres zal het bouwplan leiden tot vernieling van de rustplaats en zal de slechtvalk door de bouwwerkzaamheden worden verstoord.
7.1.
In de Quickscan staat dat effecten op de slechtvalk zijn uitgesloten. Dit komt omdat binnen het plangebied geen geschikt broedbiotoop aanwezig is, namelijk geen hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn er geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen. De ecoloog heeft in de nadere toelichting van 17 januari 2025 toegelicht dat de aanwezigheid van een slechtvalk op de mast niet direct maakt dat deze locatie strikt beschermd is. Op de mast is geen valkenkast aanwezig. De mast wordt inderdaad frequent gebruikt door de slechtvalk om vanaf uit te kijken of zijn prooi op te eten. Dat maakt deze locatie echter niet beschermd. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de mast en deze blijft onaangetast.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat de rechtbank in overweging 5.3 een gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd, moet verweerder wel het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.
ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1457.