Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:14860
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,639 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1444
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om de door eiser aangeleverde documenten te registeren in de basisregistratie personen (brp) van de gemeente Den Haag.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die weigering gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 3] (als waarnemer van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 9 november 2021 heeft eiser verweerder verzocht een aantal documenten uit Guinee te registeren als brondocumenten in de brp van de gemeente Den Haag. Het gaat om de volgende documenten:
een uittreksel van de geboorteakte, nummer [nummer 1] , afgegeven op [datum 1] 2019 in [plaats 1] , Guinee;
een uitspraak van de rechtbank, nummer [nummer 2] , afgegeven op [datum 2] 2019 in [plaats 1] , Guinee;
een antecedentenverklaring, nummer [nummer 3] , afgegeven op [datum 3] 2019 in Guinee;
een verklaring van de Guineese ambassade in [plaats 2] van [datum 4] 2019, nummer [nummer 4] , waarin de echtheid van het uittreksel van de geboorteakte en de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.
2.1.
Bij besluit van 24 maart 2023 heeft verweerder laten weten de door eiser aangeleverde documenten niet in de brp te registeren. Verweerder heeft zich voor dit besluit gebaseerd op het onderzoek van het Bureau Documenten van 29 mei 2020. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat het door eiser ter registratie aangeboden uittreksel van de geboorteakte en de rechterlijke uitspraak met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ook is de legalisatie van het Guineese ministerie van Buitenlandse Zaken met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus verkregen. Over de echtheid, opmaak en afgifte van de antecedentenverklaring kon geen uitspraak worden gedaan. Ten aanzien van de verklaring van de Guineese ambassade concludeerde Bureau Documenten dat dit document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen en de inhoudelijke juistheid niet kon worden vastgesteld. Op basis van de conclusies van Bureau Documenten heeft verweerder besloten dat de door eiser overgelegde documenten niet kunnen gelden als brondocumenten in de zin van de wet.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat de gegevens die volgen uit de door hem overgelegde documenten overeenkomen met de gegevens die al bij verweerder bekend zijn. De registratie van de documenten zou er daarom niet toe leiden dat de gegevens in de brp niet meer betrouwbaar en duidelijk zijn. Daarnaast betwist eiser het onderzoek van Bureau Documenten. Hij voert daartoe aan dat de verklaring van onderzoek lacunes en innerlijke tegenstrijdigheden bevat. Ook zijn de conclusies onvoldoende onderbouwd en gebaseerd op verouderde dan wel onjuiste informatie. Verweerder heeft volgens eiser niet voldaan aan de vergewisplicht en mocht zijn besluit om die reden niet zonder nadere motivering baseren op het onderzoek van Bureau Documenten. Tot slot wijst eiser erop dat hij al jaren bezig is om te naturaliseren en de benodigde documenten te verkrijgen uit Guinee. Hij voldoet aan de overige eisen voor naturalisatie. Er is sprake van bijzondere omstandigheden die volgens hem nopen tot waardering van het bewijs in zijn voordeel.
Wat zijn de regels?
4. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De rechtbank licht hierna het juridisch kader nader toe.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet voorop worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een “lager” document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstipt van inschrijving in redelijkheid geen “hoger” document kan worden overgelegd. Dit doet niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten aan te leveren.
4.2.
De in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, van de Wet brp omschreven documenten zijn brondocumenten op grond waarvan bepaalde gegevens over de burgerlijke staat mogen worden opgenomen in de brp. Om als zo’n brondocument te kunnen worden aangemerkt, moet het betreffende document voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in dat tweede lid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt de weigering van verweerder om de door eiser overgelegde documenten te registreren in de brp als brondocumenten. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht verweerder zich baseren op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten?
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan. Verweerder mag op het advies van een deskundige afgaan als hij heeft nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn vergewisplicht voldaan. Uit de verklaring van onderzoek blijkt op welke wijze Bureau Documenten het onderzoek heeft uitgevoerd en op welke bevindingen de conclusies zijn gebaseerd. Bureau Documenten heeft de hiervoor onder 2. genoemde documenten onderzocht en vergeleken met documenten die in eerdere procedures door eiser zijn overgelegd. Gezien het feit dat in Guinee een geboorte slechts eenmaal geregistreerd mag worden en eiser vanaf 2017 meerdere geboorteregistraties heeft overgelegd, heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat het uittreksel van de geboorteakte en de rechtelijke uitspraak met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Daarnaast heeft verweerder op de zitting verklaard dat hij, na ontvangst van de verklaring van onderzoek, nog een aanvullende toelichting van Bureau Documenten heeft gekregen over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Bureau Documenten. De vergewisplicht strekt ook niet zo ver dat verweerder tot in detail inzichtelijk moet maken op welke wijze Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen, gelet op de vertrouwelijkheid van de onderliggende stukken en werkwijzen.
7.2.
Het ligt op de weg van eiser om de conclusies van Bureau Documenten gemotiveerd te betwisten. Eiser is hierin niet geslaagd. Zijn stelling dat de verklaring van de Guineese ambassade kan worden aangemerkt als contra-expertise, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten of de verklaring op juiste wijze is verkregen, is niet inzichtelijk gemaakt door wie, op welke wijze en op basis van welke gegevens de documenten van eiser zijn geverifieerd. Daarnaast worden de conclusies van Bureau Documenten niet op basis van een onafhankelijke en deskundige analyse weerlegd of in twijfel getrokken. Ook ontbreekt een inhoudelijke onderbouwing of kritische bespreking van de door Bureau Documenten gebruikte bronnen en werkwijze. Dit maakt dat de verklaring van de Guineese ambassade niet als contra-expertise kan worden aangemerkt.
7.3.
Eiser stelt ten slotte dat hij al jaren bezig is om te naturaliseren en daarvoor de benodigde documenten probeert te verkrijgen. Aan de overige eisen voor naturalisatie zou hij al voldoen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:9 bepaalt:
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Wet basisregistratie personen
Artikel 2.8, tweede lid bepaalt dat de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
n verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
Artikel 2.10 bepaalt:
Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerder geregistreerde partners een geschrift bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c of d kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet worden ontleend aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e.
Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.
Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e, worden geen gegevens ontleend, dan nadat de gegevens voor zover mogelijk zijn geverifieerd door raadpleging van de basisregistratie en zo nodig van andere registers of van geschriften die door de betrokkene zijn overgelegd.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:127.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3 blz. 126.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:505.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:566.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2599.