Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:14723
Civiel recht
Kort geding
2,250 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/679373 / KG ZA 25-85
Vonnis in kort geding van 17 april 2025
in de zaak van:
[de vader] ,
te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. J.A. Neslo te Almere;
tegen:
[de moeder] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.G. Peters te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de brief van de vader van 19 maart 2025, met bijlage.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 17 april 2025.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3.
De moeder is van rechtswege eenhoofdig belast met het gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 september 2024 is – aanvullend op een door partijen gemaakt en aan de beschikking gehecht ouderschapsplan – een omgangsregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:
- in de oneven weekenden van vrijdag (omstreeks) 18.00 uur tot zondag (omstreeks) 18.00 uur;
- in de zomervakantie de laatste drie weken;
- in de kerstvakantie in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
- in vakanties van één week: de helft van de week aansluitend op het omgangsweekend, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op woensdag om 18.00 uur;
- in vakanties van twee weken: één week aansluitend op het omgangsweekend, waarbij het eerste weekend maatgevend is.
Geschil
3.1.
De vader vordert de moeder te verplichten haar medewerking te verlenen aan de beschikking van 11 september 2024, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte dat zij niet aan hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-, althans zodanig bedrag als de rechtbank passend acht, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure.
3.2.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] in december 2024 abrupt stopgezet. In het verleden heeft de moeder dit al eerder gedaan. Zij laat zich daarnaast via social media negatief uit over de vader. De vader vindt de handelswijze van de moeder niet in het belang van [minderjarige] . Hij wil graag een goede en stabiele band met zijn dochter. Om te voorkomen dat de moeder opnieuw de omgangsregeling zal stopzetten, vordert de vader een dwangsom. De vader heeft daarbij gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat het contactverlies negatieve gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] .
3.3.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vader een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de omgangsregeling niet wordt nageleefd en er sinds december 2024 geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] .
Beoordeling
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vastgestelde omgangsregeling moet worden nagekomen. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij bereid is om de omgang weer te hervatten. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat partijen zo snel mogelijk de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer zullen opstarten.
4.3.
Aan de voorzieningenrechter ligt daarmee de vraag voor of aan de nakoming van de omgangsregeling een dwangsom moet worden verbonden. Zoals ook namens de moeder naar voren is gebracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een dwangsom in dit geval geen oplossing biedt voor de problematiek tussen partijen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat de kern van het probleem tussen de ouders is gelegen in het feit dat zij niet op constructieve wijze kunnen communiceren. Het lukt hen daarom niet om afspraken te maken over de uitvoering van de omgangsregeling. Met de moeder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de oplegging van een dwangsom enkel tot meer discussie tussen partijen zal leiden. De vordering van de vader zal daarom worden afgewezen. Dat laat onverlet dat partijen zich wel degelijk zullen moeten houden aan de omgangsregeling, die zij immers in onderling overleg zijn overeengekomen en die is opgenomen in het (aangehechte) ouderschapsplan. Nu de moeder op de zitting heeft toegezegd weer uitvoering te zullen geven aan de omgangsregeling, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat zij dat ook zal doen en dat zij de regeling bij discussies of problemen tussen partijen niet opnieuw zal stopzetten. De voorzieningenrechter benadrukt dat onderbrekingen in de structuur en regelmaat die de omgangsregeling met de vader aan [minderjarige] geeft, niet in haar belang zijn.
Ouderschapsbemiddeling
4.4.
In het voorgaande is al beschreven dat de problematiek van partijen met name is gelegen in hun onderlinge communicatie. In dat kader is op de zitting met de ouders gesproken over een verwijzing naar een traject ouderschapsbemiddeling. Dit traject biedt de ouders de mogelijkheid om onder begeleiding van een professionele hulpverlener gesprekken met elkaar te voeren en in het belang van [minderjarige] te werken aan hun verstandhouding. De beide ouders kunnen daarbij hun zorgen en knelpunten bespreken om onder begeleiding te proberen om het bestaande patroon te doorbreken.
4.4.
Beide partijen hebben op de zitting hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan ouderschapsbemiddeling. De voorzieningenrechter zal hen daarom in de gelegenheid stellen om hieraan deel te nemen, zoals blijkt uit het aan dit vonnis gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De voorzieningenrechter zal dit vonnis ook per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, in het geval de ouderschapsbemiddeling niet tot een positief resultaat zou leiden, aan de Raad voor de Kinderbescherming te vragen om te kijken naar de wenselijkheid van een onderzoek. Daarom zal een eindbeslissing worden gegeven. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij echter wel dat de beide ouders zich tot het uiterste moeten inspannen om het traject goed te laten verlopen.
Kosten
4.3.
In de omstandigheid dat het een familierechtelijke procedure betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst af de vorderingen van de man;
5.2.
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader),
adres: [adres 1] te ( [postcode 1] ) [woonplaats 1] ,
en
[de moeder], (de moeder),
adres: [adres 2] te ( [postcode 2] ) [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) dit vonnis te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
5.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L. Strop en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
SB