Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:14628
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,599 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8824
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Bercken).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om een verklaring van geen bezwaar af te geven.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 19 april 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 1] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was sinds 1 september 2021 werkzaam bij het Functioneel Parket in de functie van Parketsecretaris Fraude. Verweerder heeft deze functie met ingang van 5 april 2022 aangewezen als een vertrouwensfunctie omdat deze functie de mogelijkheid biedt om de nationale veiligheid te schaden. Sindsdien is voor de vervulling van deze functie een verklaring van geen bezwaar benodigd. De werkgever van eiser, het Ministerie van Veiligheid en Justitie, heeft hem daartoe aangemeld voor een veiligheidsonderzoek B bij de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD).
Wat heeft verweerder besloten?
3. Uit de bevindingen van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat er ten aanzien van de partner van eiser onvoldoende gegevens binnen de beoordelingsperiode van vijf jaar aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Zijn partner heeft namelijk tot 24 mei 2022 in het buitenland gewoond, waarvan voor een groot gedeelte in de Russische Federatie met wiens inlichtingen- en veiligheidsdienst de AIVD geen samenwerkingsverband heeft. Er vindt tussen deze landen dan ook geen uitwisseling plaats van justitiële en politieke gegevens die bij het veiligheidsonderzoek van belang zijn. Om die reden bestaat ook geen inzicht in zwaarwegende feiten en omstandigheden die mogelijk buiten de beoordelingsperiode hebben plaatsgevonden en die vanwege de ernst wel betrokken zouden moeten worden bij het onderzoek. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan eiser geweigerd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de weigering om hem een verklaring van geen bezwaar te verstrekken. De rechtbank gaat hierna in haar oordeel puntsgewijs in op de beroepsgronden die eiser daartoe heeft aangevoerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan eiser kon weigeren. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
De AIVD onderzoekt, nadat de werkgever een persoon voor een veiligheidsonderzoek heeft aangemeld, of verweerder aan de betrokkene een verklaring van geen bezwaar kan afgeven. De gegevens die in dat kader van de betrokkene worden beoordeeld betreffen politieke en justitiële gegevens en de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van de betrokkene. Omdat de partner van de betrokkene invloed kan uitoefenen op de gedragingen van de betrokkene, wordt bij het veiligheidsonderzoek ook onderzoek gedaan naar de partner van de betrokkene. Ten aanzien van de partner van de betrokkene worden in beginsel gegevens over een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanmelding van de betrokkene voor het veiligheidsonderzoek beoordeeld. Verweerder kan een verklaring van geen bezwaar weigeren als onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Verweerder kan een verklaring van geen bezwaar ook weigeren als het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daar een oordeel over te geven. Dit kan als de betrokkene of zijn of haar partner direct voorafgaande aan het veiligheidsonderzoek gedurende de beoordelingsperiode gedurende een langere periode buiten Nederland heeft verbleven. Bij de beoordeling of het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd vanwege verblijf of verblijven buiten Nederland wordt rekening gehouden met de bestemming, het al dan niet bestaan van een samenwerkingsrelatie tussen de AIVD dan wel de MIVD met de collega-dienst van het land of de landen van het verblijf of verblijven, de duur, frequentie en tijdvak van het verblijf of de verblijven, de kwetsbaarheid van de specifieke functie en de reden van het verblijf of de verblijven.
5.2.
Verweerder kon tot de conclusie komen dat er ten aanzien van de partner van eiser onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Tussen partijen is niet in geschil dat moet worden uitgegaan van een beoordelingsperiode van 19 september 2019 tot en met 18 september 2024. Afgezien van een verblijf van 13 februari 2020 tot en met 22 juni 2020 voor onderwijsdoeleinden in Tsjechië heeft de partner van eiser tot 24 mei 2022 in de Russische Federatie gewoond. Dit betekent dat zij voor een periode van 2 jaar en 4 maanden in de Russische Federatie heeft gewoond. Dit is aanzienlijk langer dan de periode van zes maanden die volgens de toelichting op de Beleidsregel in beginsel geldt als een ontbrekende periode.
5.3.
Verder staat vast dat tussen de AIVD en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Russische Federatie geen samenwerkingsrelatie bestaat en daarom geen politieke en justitiële gegevens van de partner van eiser over deze ontbrekende periode kunnen worden uitgewisseld. Omdat zij ook buiten de beoordelingsperiode in de Russische Federatie heeft gewoond, heeft de AIVD door het ontbreken van een samenwerkingsrelatie met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Russische Federatie ook geen inzicht in zwaarwegende feiten en omstandigheden waar zij mogelijk buiten de beoordelingsperiode bij betrokken is geweest. Hoewel eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn partner voor wat betreft de beoordelingsperiode vanwege onderwijsdoeleinden in de Russische Federatie heeft verbleven, levert dit geen politieke of justitiële gegevens op die ter vervanging kunnen dienen van gegevens die van een collega-dienst kunnen worden verkregen.
5.4.
Anders dan eiser heeft betoogd, hoefde verweerder in dit verband ook geen waarde toe te kennen aan de via de Russische overheidswebsite “Gosuslugi” gegenereerde justitiële documentatie van zijn partner. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is de Russische Federatie momenteel verwikkeld in een gewapend conflict en staat dit land onder de aandacht van de AIVD. De rechtbank kan daarom volgen dat er vraagtekens worden gezet bij de betrouwbaarheid van gegevens afkomstig van een Russische website. Dat één van de uittreksels is voorzien van een apostille, maakt dit niet anders. Een apostille zegt namelijk uitsluitend iets over de echtheid van de ondertekening van de ondertekenaar van het document en geeft geen informatie over de betrouwbaarheid van de inhoud van het document. Deze gerechtvaardigde twijfel over de betrouwbaarheid van in de Russische Federatie vervaardigde documenten maakt dat ook kan worden aangenomen dat met alternatieve methoden geen verifieerbare politieke en justitiële gegevens over de partner van eiser gedurende haar verblijf in de Russische Federatie kunnen worden verkregen. Verweerder was dan ook niet gehouden om hier zelf een aanvullend onderzoek naar te verrichten. Anders dan eiser heeft gesteld, volgt een dergelijke verplichting ook niet uit de geldende wet- en regelgeving.
5.5.
Verder mocht verweerder meewegen dat in de functie van Parketsecretaris Fraude wordt gewerkt met gevoelige gegevens. Daarmee is de kwetsbaarheid van deze functie gegeven. Eiser heeft aangevoerd dat de verwerking van stukken in een procesdossier valt binnen de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en niet binnen de Wpg en dat de strafvorderlijke gegevens waar hij door middel van procesdossiers kennis van nam dus geen kwetsbare gegevens zijn die de nationale veiligheid bedreigen. De rechtbank volgt dit betoog niet. Verweerder heeft er in dit verband onder verwijzing naar de brief van de werkgever van eiser op kunnen wijzen dat eiser in zijn functie wel degelijk kennis kon nemen van informatie die afkomstig is uit politiesystemen waarin Wpg informatie wordt verwerkt.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo).
Op grond van artikel 4, derde lid, van de Wvo.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wvo.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel Veiligheidsonderzoeken 2021 (hierna: de Beleidsregel).
Op grond van artikel 8 van de Wvo.
Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wvo.
Op grond van artikel 2, onder c, van de Beleidsregel.
Op grond van artikel 8 van de Wvo.
Op grond van artikel 4 van de Beleidsregel.
Jaarverslag AIVD 2023, p.28.
Gegevens als bedoeld in de artikelen 9 en 11, eerste lid, van de Wet politiegegevens.
Brief van dhr. mr. [naam 2] van 17 juli 2024.
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2650.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1946.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Beoordeling
5.6.
In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om hem in afwijking van het geldende beleid of op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog een verklaring van geen bezwaar te verstrekken. Eiser heeft in beroep gesteld dat verweerder op grond van de inmiddels vervallen verklaarde Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2018 (Beleidsregel 2018) de mogelijkheid had om van zijn beleid af te wijken als de partner van een betrokkene ten minste 50% van de beoordelingsperiode in Nederland of een land met een samenwerkingsrelatie heeft verbleven en dit uitgangspunt nog steeds geldt als een vaste gedragslijn. Met de periode van verblijf in Tsjechië opgeteld bij de periode van verblijf in Nederland heeft de partner van eiser 2 jaar en 8 maanden en daarmee meer dan 50% van de beoordelingsperiode in Nederland of een land met een samenwerkingsrelatie gewoond. Verweerder had in dit geval dan ook gebruik moeten maken van zijn afwijkingsbevoegdheid, zo betoogt eiser. De rechtbank overweegt echter dat deze redenering niet opgaat. Nog daargelaten de vraag of de betreffende afwijkingsbevoegdheid uit de Beleidsregel 2018 daadwerkelijk kan worden aangemerkt als een vaste gedragslijn die op dit moment nog wordt toegepast, geldt namelijk als voorwaarde voor het toepassen van die afwijkingsbevoegdheid dat de partner van de betrokkene voor de overige tijd van de beoordelingsperiode verifieerbare gegevens kan aanleveren. Zoals in de voorgaande rechtsoverweging al is overwogen, heeft de partner van eiser in de overige tijd van de beoordelingsperiode in de Russische Federatie gewoond en kan worden aangenomen dat van daaruit geen verifieerbare gegevens kunnen worden aangeleverd. Alleen daarom al slaagt dit betoog van eiser niet.
5.7.
In de omstandigheid dat eiser door de weigering van de verklaring van geen bezwaar is overgeplaatst naar een functie waarin hij toegang heeft tot een veelvoud aan geautomatiseerde systemen waarin gevoelige politiegegevens worden verwerkt, hoefde verweerder evenmin een reden te zien om af te wijken van zijn beleid. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, staat dit los van de beoordeling in de onderhavige zaak of verweerder mocht weigeren om een verklaring van geen bezwaar af te geven voor de vervulling van de vertrouwensfunctie van Parketsecretaris Fraude. Afgezien daarvan heeft verweerder in het verweerschrift afdoende toegelicht dat de AIVD inmiddels contact heeft opgenomen met het ministerie van Justitie en Veiligheid en daarbij aan de orde heeft gesteld dat deze situatie in het kader van de nationale veiligheid onwenselijk is. Dit heeft ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie (OM) op dit moment bezig is met een grootschalig project waarin de aangewezen vertrouwensfuncties worden geëvalueerd.
5.8.
Dat verweerder had kunnen volstaan met een minder vergaand middel, zoals het opnemen van meerdere veiligheidswaarborgen bij de uitoefening van de vertrouwensfunctie, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft op navolgbare wijze toegelicht dat een dergelijke constructie niet wenselijk is omdat hiervan aanzienlijke risico’s uitgaan die de nationale veiligheid kunnen ondermijnen. De verwijzing van eiser naar een andere zaak waarbij aan een persoon wel een verklaring van geen bezwaar onder voorwaarden was toegekend, maakt die beoordeling niet anders. Anders dan in onderhavige zaak, heeft de partner van de betrokkene in de andere zaak namelijk al sinds 2005 de Nederlandse nationaliteit en woonde zij de gehele beoordelingsperiode in Nederland. Die omstandigheid maakt het op zichzelf al lastig, zo niet onmogelijk, om beide zaken in dat opzicht met elkaar te vergelijken.
5.9.
Het betoog van eiser dat verweerder met het afwijzende besluit een ongerechtvaardigde inbreuk heeft gemaakt op zijn recht op een vrije arbeidskeuze, slaagt evenmin. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, kan een beperking op dit recht in een democratische samenleving noodzakelijk worden geacht in het belang van de nationale veiligheid. Verweerder heeft het belang dat in het kader van de nationale veiligheid bij het OM geen vertrouwensfuncties worden vervuld door personen zonder een verklaring van geen bezwaar in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij de afgifte van zo’n verklaring van geen bezwaar. Voor zover geldt dat de beperking voorzienbaar moet zijn, heeft verweerder terecht gesteld dat het gelet op de gevoeligheid van de gegevens waarmee in de functie van Parketsecretaris Fraude wordt gewerkt en de nauwe samenwerking die plaatsvindt met de Officier van Justitie, niet uitgesloten was dat deze functie zou worden aangewezen als vertrouwensfunctie. Dat de door eiser opgedane kennis en ervaring van een dermate specialistisch karakter zijn dat deze niet kunnen worden ingezet in een functie die niet kwalificeert als een vertrouwensfunctie, volgt de rechtbank niet. Net als verweerder wijst de rechtbank erop dat eiser breed is opgeleid en het daarom onwaarschijnlijk is dat hij geen andere (juridische) functie kan vervullen. Bovendien is niet gebleken dat eiser in zijn huidige tijdelijke functie bij het Arrondissementsparket onvoldoende functioneert. Dat hij voor bepaalde functies een voorkeur heeft, maakt nog niet dat hij bepaalde functies niet kán bekleden en daarom wordt beperkt in zijn vrije arbeidskeuze. Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat eiser een onmisbare schakel was in zijn vorige functie en zijn vertrek ook gelet op de huidige onderbezetting tot negatieve gevolgen heeft geleid voor zijn werkgever, heeft verweerder ook deze omstandigheid niet zwaarder hoeven laten wegen dan het belang van de nationale veiligheid.
5.10.
Verder ziet de rechtbank niet in op welke wijze de weigering hem een verklaring van geen bezwaar te verstrekken eiser beperkt in het uitoefenen van zijn recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser oefent immers familieleven uit met zijn huidige partner. Dat zijn keuze het familieleven met deze partner uit te oefenen hem beperkt in de door hem gewenste carrière, omdat hij hierdoor niet de vereiste verklaring van geen bezwaar krijgt, betekent niet dat verweerder met deze weigering een inbreuk maakt op zijn familieleven. Dat vanuit het OM druk op hem is uitgeoefend om de relatie met zijn partner te beëindigen, zoals eiser op de zitting heeft gesteld, heeft hij niet nader onderbouwd. Van een inbreuk op het recht op familieleven is de rechtbank hoe dan ook niet gebleken.