Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:14583
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7740
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
Kijkduinse Retail Ontwikkelingsmaatschappij B.V., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Niermeijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. F. van Ommeren).
Als derde-partij nam aan de zaak deel:
de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, afdeling Grondzaken, van de gemeente Den Haag (hierna: de derde partij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toewijzing van een instemmingsverzoek door verweerder.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 3 februari 2022 genomen. Met het besluit van 7 november 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 14 juli 2023 geoordeeld dat verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2023 heeft verweerder alsnog inhoudelijk op het bezwaar van eiseres beslist en deze ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , de gemachtigde van verweerder en namens de derde-partij [naam 3] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. De derde-partij heeft verweerder verzocht in te stemmen met de aanleg van ondergrondse verbindingen ten behoeve van de toegang tot de parkeergarage en ondergrondse fietsenstalling (hierna: EeF) en het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen ter hoogte van [straatnaam] in [plaats] conform het aangeleverde ‘BVC’-plan. Verweerder heeft dit instemmingsverzoek ter advisering voorgelegd aan de wegbeheerder van het stadsdeel [stadsdeel] (hierna: de wegbeheerder), met het oog op mogelijke hinder voor de omgeving en inbreuk op het doelmatig onderhoud en beheer van de weg. Nadat de wegbeheerder op 9 december 2021 had aangegeven akkoord te zijn met de gevraagde instemming, heeft verweerder met het primaire besluit de gevraagde instemming verleend.
2.1.
De realisatie van de EeF maakt onderdeel uit van de totale herontwikkeling van het gebied Kijkduin. Naast dit project worden ook andere bouwwerkzaamheden uitgevoerd door verschillende projectontwikkelaars. Eiseres heeft als exploitant van de betreffende parkeergarage en het nabijgelegen, deels opgeleverde winkelcentrum bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is hij bij het primaire besluit gebleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat verweerder haar onvoldoende heeft betrokken bij de voorbereiding van de besluitvorming. Daardoor zijn haar belangen onvoldoende meegewogen bij de uitvoering en aanbesteding van de EeF. Daarnaast heeft verweerder zich gebaseerd op gedateerde en daarmee onjuiste informatie. Eiseres stelt dat zij hierdoor onevenredig veel schade heeft geleden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is er sprake van procesbelang?
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij dit beroep, nu de instemmingsperiode gold van 5 september 2022 tot en met 23 december 2023 en de betreffende werkzaamheden inmiddels zijn afgerond. Volgens verweerder is daarmee het procesbelang van eiseres komen te vervallen.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de bestuursrechter een beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Procesbelang kan bestaan als de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
4.2.
Op de zitting heeft eiseres gesteld een financieel belang te hebben bij de inhoudelijke behandeling van dit beroep. Door het instemmingsbesluit en de daarmee samenhangende werkzaamheden is eiseres diverse (huur)inkomsten misgelopen. Zo heeft zij huurkorting moeten verlenen aan de huurders van commerciële ruimten in het winkelcentrum, was de parkeergarage deels niet bereikbaar en kon de huurovereenkomst met de Geldmaat pas een jaar later dan gepland ingaan. Volgens eiseres gaat het om een totale schadepost van ongeveer twee miljoen euro. Als de rechtbank in deze procedure tot het oordeel komt dat het instemmingsbesluit van verweerder onrechtmatig is, dan kan het bedrag aan schade in een daaropvolgende (civiele) procedure nader worden vastgesteld.
4.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres pas ter zitting heeft aangegeven dat de door haar geleden schade ongeveer twee miljoen euro bedraagt, zonder daarbij stukken te overleggen ter onderbouwing van deze schade. Het is daardoor onduidelijk of de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het instemmingsbesluit van verweerder. Dat eiseres met deze procedure met name beoogt een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van het instemmingsbesluit, zodat zij de schade in een eventuele opvolgende (civiele) procedure nader kan vaststellen, laat onverlet dat zij de gestelde schade gelet op het geldende toetsingskader ook in deze procedure tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken. Daarin is zij niet geslaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij dit beroep.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10310.
Bereikbaarheid-, Verkeersveiligheid- en Communicatieplan.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Afdeling (de Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2074.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.