Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:14489
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34421
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser zegt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003, dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij het buitenechtelijk kind van referent is. Op 3 mei 2021 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv nareis voor verblijf bij referent in Nederland. Referent heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 18 februari 2021 een verblijfsvergunning asiel gekregen. De echtgenote en kinderen van referent verblijven bij referent in Nederland.
3. Met het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 14 december 2021 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser en zijn familierechtelijke relatie met referent weliswaar niet aannemelijk is gemaakt, maar dat eiser daarbij het voordeel van de twijfel krijgt. Eiser komt volgens de minister echter niet in aanmerking voor een mvv-nareis omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent niet aannemelijk is gemaakt. Volgen de minister is niet gebleken dat eiser is geboren uit een reëel huwelijk of een aan een reëel huwelijk gelijk te stellen relatie en bestonden er op het peilmoment in maart 2019, toen referent Nederland inreisde, geen hechte en persoonlijke banden. Ook overigens is van dergelijke banden volgens de minister niet gebleken. Er kan geen gezinsleven worden aangenomen in het kader van artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) of wegens een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Het jongvolwassenenbeleid is niet op eiser van toepassing. Er was tussen referent en eiser als minderjarige al geen sprake van gezinsleven en dat is ook niet ontstaan sinds de komst van referent in Nederland.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv-aanvraag voor nareis. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een bevoegdheidsgebrek bij het nemen van het bestreden besluit?
6. Eiser heeft erop gewezen dat het bestreden besluit onbevoegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is genomen omdat deze sinds 2 juli 2024 niet meer bevoegd is.
6.1.
De bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is met ingang van 2 juli 2024 gewijzigd en is sindsdien de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en dus namens de verkeerde bewindspersoon is ondertekend. De rechtbank merkt dit aan als een gebrek in de zin van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van dit artikel, omdat de bevoegdheid verder niet is betwist en de minister het besluit op de zitting voor haar rekening heeft genomen. Niet gebleken is dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Het was duidelijk, althans kon duidelijk zijn voor eiser, dat het bestreden besluit namens de bevoegde autoriteit was genomen. De rechtbank volgt het betoog van de minister dat slechts sprake is van een administratieve omissie. Er is daarom ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:74.
Is sprake van een feitelijke gezinsband?
7. Volgens het beleid in paragraaf C2.4.1.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt als sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin. Uitzondering hierop is de situatie dat het minderjarige kind zelfstandig woont en in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000 volgt dat de IND in ieder geval gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aanneemt tussen een ouder en hun uit een reëel huwelijk of daarmee gelijk te stellen relatie geboren minderjarige kinderen. Als er geen sprake is van een huwelijk tussen de ouders maar wel van een relatie, is het van belang dat deze relatie gelijk te stellen is aan een reëel huwelijk. Als een minderjarig kind niet geboren is uit een reëel huwelijk of een daaraan gelijk te stellen relatie, neemt de IND enkel gezinsleven aan als er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de vader en het kind. Hierbij is van belang dat de vader voldoende feitelijke invulling heeft gegeven aan de gezinsband met het kind.
8. Eiser heeft niet bestreden dat dit beleid van toepassing is en dat daaruit volgt dat in dit geval de vraag aan de orde is of sprake is van een met een reëel huwelijk gelijk te stellen relatie tussen referent en eisers moeder.
Feitelijke gezinsband door een met een huwelijk gelijk te stellen relatie?
9. Eiser voert aan dat gezinsleven al kan worden aangenomen omdat referent bij de verwekking en geboorte van eiser een buitenwettelijke relatie had met eisers moeder. Eiser stelt dat referent regelmatig contact met hem had toen hij jong was en dat referent medeverantwoordelijk was voor zijn opvoeding, de verzorging en in financiële zin.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat in geen enkel opzicht is gebleken dat referent en de moeder van eiser een duurzame en diepgaande relatie met elkaar hadden die gelijk te stellen is aan een reëel huwelijk. De stelling dat referent bij de verwekking en geboorte een buitenechtelijke relatie had met eisers moeder gaat voorbij aan het beoordelingskader voor een met het huwelijk gelijk te stellen relatie. Daarbij is relevant of sprake is van een voldoende feitelijke invulling van de relatie en gezinsband. Daarvan is niet gebleken. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit de verklaringen van referent tijdens de hoorzitting niet blijkt dat referent en eisers moeder vaak hebben ontmoet, dat er geen frequent en intensief contact is geweest was en dat over dat contact wisselende verklaringen zijn afgelegd. De minister heeft daarbij ook betrokken dat eiser en zijn moeder zonder medeweten van referent zijn verhuisd en dat referent geen serieuze pogingen heeft ondernomen om te achterhalen waar zij naartoe zijn verhuisd.
Feitelijke gezinsband door hechte en persoonlijke banden?
10. Eiser voert aan dat gezinsleven tussen hem en referent bestaat omdat sprake is van hechte en persoonlijke banden. Gesteld is dat een relatie bestond tussen referent en eisers moeder. Eiser was nog jong toen zijn moeder ging verhuizen zonder een nieuw adres bekend te maken. Eiser en referent kan niet worden verweten dat zij voor een langere periode geen contact met elkaar konden hebben. Eiser heeft referent kort na diens inreis in Nederland opgespoord waarna het contact is hersteld en zij beogen beiden een feitelijke gezinsband.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de feitelijke beoordeling of sprake is van hechte en persoonlijke banden de door eiser gestelde schuldvraag niet relevant is. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat ten tijde van het peilmoment geen sprake was van een feitelijke gezinsband met hechte en persoonlijke banden. Hij heeft kunnen stellen dat referent tot het vijfde levensjaar van eiser niet of nauwelijks bij de opvoeding en verzorging van eiser was betrokken en dat geen actieve vaderrol vervulde. De financiële bijdrage was, gelet op de verklaringen, sporadisch en enkel ondersteunend van aard. Referent heeft ook de jaren na het vijfde levensjaar van eiser geen contact en verzorgende rol gehad en niet gebleken is dat hij voor het peilmoment in 2019 serieuze pogingen heeft ondernomen om het contact te herstellen.
Is het jongvolwassenbeleid op eiser van toepassing?
11. Eiser voert aan dat het jongvolwassenenbeleid op hem van toepassing is. Hij is wegens militaire dienstplicht uit Eritrea gevlucht en is op zoek gegaan naar referent. Hij voorziet nauwelijks in zijn eigen onderhoud, werkt in ruil voor eten en kleding maar ontvangt geen salaris. Eiser heeft referent weer gevonden na inreis in Nederland en hebben nu telefonisch contact.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing is en dat op het peilmoment al geen feitelijke gezinsband tussen eiser en referent bestond. Eiser heeft nooit met referent in gezinsverband samengeleefd, De omstandigheid dat het contact na het peilmoment is hersteld is onvoldoende om gezinsleven aan te nemen. Er zijn geen andere omstandigheden op grond waarvan gezinsleven tussen eiser en referent sinds zijn aankomst in Nederland kan worden aangenomen. Uit de verklaringen van referent blijkt niet dat eiser afhankelijk van hem is of is geweest wat betreft zorg of financiële ondersteuning. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser al jaren op zichzelf is, in Soedan werkt en bij een groep Eritreeërs woont. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er geen gezinsleven kan worden aangenomen op basis van het jongvolwassenenbeleid.
Is sprake van gezinsleven in verband met bijkomende elementen van afhankelijkheid?
12.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.T. Rabou - Coort, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2943, r.o. 5.2. en 5.3.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 17 april 2012 (Kopf en Liberda tegen Oostenrijk), ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806 en het arrest van 2 september 2020 (Azerkane) ECLI:CE:EHCR:2020: 0602JUD000313816.
Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie het arrest van 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, paragraaf 55 tot en met 57 en het arrest van 20 oktober 2022, Bierski tegen Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:1020JUD004634219, paragraaf 40.
ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:14489 text/xml public 2026-02-05T16:33:36 2025-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-03-10 NL24.34421 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3155, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14489 text/html public 2025-08-05T10:43:35 2025-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:14489 Rechtbank Den Haag , 10-03-2025 / NL24.34421 Besluit door verkeerde bewindspersoon; administratieve omissie; gebrek gepasseerd met toepassing van 6:22 Awb; geen proceskostenveroordeling. Feitelijke gezinsband, jongvolwassenenbeleid; bijkomende elementen van afhankelijkheid. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL24.34421 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser zegt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003, dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en dat hij het buitenechtelijk kind van referent is. Op 3 mei 2021 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv nareis voor verblijf bij referent in Nederland. Referent heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 18 februari 2021 een verblijfsvergunning asiel gekregen. De echtgenote en kinderen van referent verblijven bij referent in Nederland. 3. Met het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 14 december 2021 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser en zijn familierechtelijke relatie met referent weliswaar niet aannemelijk is gemaakt, maar dat eiser daarbij het voordeel van de twijfel krijgt. Eiser komt volgens de minister echter niet in aanmerking voor een mvv-nareis omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent niet aannemelijk is gemaakt. Volgen de minister is niet gebleken dat eiser is geboren uit een reëel huwelijk of een aan een reëel huwelijk gelijk te stellen relatie en bestonden er op het peilmoment in maart 2019, toen referent Nederland inreisde, geen hechte en persoonlijke banden. Ook overigens is van dergelijke banden volgens de minister niet gebleken. Er kan geen gezinsleven worden aangenomen in het kader van artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) of wegens een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Het jongvolwassenenbeleid is niet op eiser van toepassing. Er was tussen referent en eiser als minderjarige al geen sprake van gezinsleven en dat is ook niet ontstaan sinds de komst van referent in Nederland. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv-aanvraag voor nareis. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is sprake van een bevoegdheidsgebrek bij het nemen van het bestreden besluit? 6. Eiser heeft erop gewezen dat het bestreden besluit onbevoegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is genomen omdat deze sinds 2 juli 2024 niet meer bevoegd is. 6.1. De bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is met ingang van 2 juli 2024 gewijzigd en is sindsdien de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en dus namens de verkeerde bewindspersoon is ondertekend. De rechtbank merkt dit aan als een gebrek in de zin van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van dit artikel, omdat de bevoegdheid verder niet is betwist en de minister het besluit op de zitting voor haar rekening heeft genomen. Niet gebleken is dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad. Het was duidelijk, althans kon duidelijk zijn voor eiser, dat het bestreden besluit namens de bevoegde autoriteit was genomen. De rechtbank volgt het betoog van de minister dat slechts sprake is van een administratieve omissie. Er is daarom ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:74. Is sprake van een feitelijke gezinsband? 7. Volgens het beleid in paragraaf C2.4.1.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt als sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin. Uitzondering hierop is de situatie dat het minderjarige kind zelfstandig woont en in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000 volgt dat de IND in ieder geval gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aanneemt tussen een ouder en hun uit een reëel huwelijk of daarmee gelijk te stellen relatie geboren minderjarige kinderen. Als er geen sprake is van een huwelijk tussen de ouders maar wel van een relatie, is het van belang dat deze relatie gelijk te stellen is aan een reëel huwelijk. Als een minderjarig kind niet geboren is uit een reëel huwelijk of een daaraan gelijk te stellen relatie, neemt de IND enkel gezinsleven aan als er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de vader en het kind. Hierbij is van belang dat de vader voldoende feitelijke invulling heeft gegeven aan de gezinsband met het kind. 8. Eiser heeft niet bestreden dat dit beleid van toepassing is en dat daaruit volgt dat in dit geval de vraag aan de orde is of sprake is van een met een reëel huwelijk gelijk te stellen relatie tussen referent en eisers moeder. Feitelijke gezinsband door een met een huwelijk gelijk te stellen relatie? 9. Eiser voert aan dat gezinsleven al kan worden aangenomen omdat referent bij de verwekking en geboorte van eiser een buitenwettelijke relatie had met eisers moeder. Eiser stelt dat referent regelmatig contact met hem had toen hij jong was en dat referent medeverantwoordelijk was voor zijn opvoeding, de verzorging en in financiële zin. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat in geen enkel opzicht is gebleken dat referent en de moeder van eiser een duurzame en diepgaande relatie met elkaar hadden die gelijk te stellen is aan een reëel huwelijk. De stelling dat referent bij de verwekking en geboorte een buitenechtelijke relatie had met eisers moeder gaat voorbij aan het beoordelingskader voor een met het huwelijk gelijk te stellen relatie. Daarbij is relevant of sprake is van een voldoende feitelijke invulling van de relatie en gezinsband. Daarvan is niet gebleken. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit de verklaringen van referent tijdens de hoorzitting niet blijkt dat referent en eisers moeder vaak hebben ontmoet, dat er geen frequent en intensief contact is geweest was en dat over dat contact wisselende verklaringen zijn afgelegd. De minister heeft daarbij ook betrokken dat eiser en zijn moeder zonder medeweten van referent zijn verhuisd en dat referent geen serieuze pogingen heeft ondernomen om te achterhalen waar zij naartoe zijn verhuisd. Feitelijke gezinsband door hechte en persoonlijke banden? 10. Eiser voert aan dat gezinsleven tussen hem en referent bestaat omdat sprake is van hechte en persoonlijke banden.
Volledig
Gesteld is dat een relatie bestond tussen referent en eisers moeder. Eiser was nog jong toen zijn moeder ging verhuizen zonder een nieuw adres bekend te maken. Eiser en referent kan niet worden verweten dat zij voor een langere periode geen contact met elkaar konden hebben. Eiser heeft referent kort na diens inreis in Nederland opgespoord waarna het contact is hersteld en zij beogen beiden een feitelijke gezinsband. 10.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de feitelijke beoordeling of sprake is van hechte en persoonlijke banden de door eiser gestelde schuldvraag niet relevant is. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat ten tijde van het peilmoment geen sprake was van een feitelijke gezinsband met hechte en persoonlijke banden. Hij heeft kunnen stellen dat referent tot het vijfde levensjaar van eiser niet of nauwelijks bij de opvoeding en verzorging van eiser was betrokken en dat geen actieve vaderrol vervulde. De financiële bijdrage was, gelet op de verklaringen, sporadisch en enkel ondersteunend van aard. Referent heeft ook de jaren na het vijfde levensjaar van eiser geen contact en verzorgende rol gehad en niet gebleken is dat hij voor het peilmoment in 2019 serieuze pogingen heeft ondernomen om het contact te herstellen. Is het jongvolwassenbeleid op eiser van toepassing? 11. Eiser voert aan dat het jongvolwassenenbeleid op hem van toepassing is. Hij is wegens militaire dienstplicht uit Eritrea gevlucht en is op zoek gegaan naar referent. Hij voorziet nauwelijks in zijn eigen onderhoud, werkt in ruil voor eten en kleding maar ontvangt geen salaris. Eiser heeft referent weer gevonden na inreis in Nederland en hebben nu telefonisch contact. 11.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing is en dat op het peilmoment al geen feitelijke gezinsband tussen eiser en referent bestond. Eiser heeft nooit met referent in gezinsverband samengeleefd, De omstandigheid dat het contact na het peilmoment is hersteld is onvoldoende om gezinsleven aan te nemen. Er zijn geen andere omstandigheden op grond waarvan gezinsleven tussen eiser en referent sinds zijn aankomst in Nederland kan worden aangenomen. Uit de verklaringen van referent blijkt niet dat eiser afhankelijk van hem is of is geweest wat betreft zorg of financiële ondersteuning. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser al jaren op zichzelf is, in Soedan werkt en bij een groep Eritreeërs woont. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er geen gezinsleven kan worden aangenomen op basis van het jongvolwassenenbeleid. Is sprake van gezinsleven in verband met bijkomende elementen van afhankelijkheid? 12. Eiser voert aan dat sprake is van een grote emotionele en daardoor meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Eiser en referent hebben door de houding van eisers moeder niet de kans gehad om een normaal gezinsleven te ontwikkelen en contact te onderhouden. .Het contact is inmiddels helemaal hersteld en zij willen bij elkaar kunnen wonen. 12.1. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat voor de vaststelling van gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen is vereist dat 'bijkomende elementen van afhankelijkheid' - oftewel meer dan de normale emotionele banden - bestaan. Als er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen meerderjarigen buiten het kerngezin, dan valt de familierelatie namelijk niet onder de bescherming van het eerste lid van artikel 8 van het EVRM. De vraag of sprake is van bijkomende elementen, is van feitelijke aard en is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden, waarbij relevant kan zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, waaruit volgt dat het aan de betrokken vreemdeling is om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. 12.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de aangedragen feiten en omstandigheden, ook als deze in onderlinge samenhang worden gezien, niet leiden tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser in materieel of financieel opzicht niet afhankelijk is van referent, dat zij nooit met elkaar hebben samengewoond en dat niet is gebleken van medische problemen waarvoor hij afhankelijk van referent is. Niet gebleken is van een zeer bijzondere emotionele band tussen eiser en referent die het gebruikelijke overstijgt. De beroepsgronden slagen niet. 13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er op het peilmoment maart 2019 geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een mvv-nareis. De minister heeft ook niet ten onrechte gesteld dat tussen eiser en referent gen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus geen beschermenswaardig gezinsleven bestaat. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.T. Rabou - Coort, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2943, r.o. 5.2. en 5.3. Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 17 april 2012 (Kopf en Liberda tegen Oostenrijk), ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806 en het arrest van 2 september 2020 (Azerkane) ECLI:CE:EHCR:2020: 0602JUD000313816. Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zie het arrest van 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, paragraaf 55 tot en met 57 en het arrest van 20 oktober 2022, Bierski tegen Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:1020JUD004634219, paragraaf 40. ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.