Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:1436
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,715 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13736
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1985 en heeft de Poolse nationaliteit.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht is geëindigd, omdat eiser sinds 31 juli 2022 niet meer voldoet aan de vereisten. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Eiser voert – zakelijk weergegeven – aan dat verweerder ten onrechte aan het nationale recht heeft getoetst. Het gaat hier om een Unieburger die op basis van het Unierecht verblijfsrecht heeft verkregen in Nederland, zodat aan het Unierecht moet worden getoetst. Verder heeft verweerder onvoldoende acht geslagen op de door hem overgelegde stukken in bezwaar waaruit blijkt dat hij van rechtswege duurzaam verblijf in Nederland heeft verkregen. Eiser verwijst in dat verband naar artikel 21 van de Verblijfsrichtlijn. Bovendien is het aan verweerder om aan te tonen dat eiser geen duurzaam verblijf heeft verkregen in de afgelopen jaren, omdat het gaat om een belastend besluit. Eiser heeft immers altijd voldaan aan een van de vereisten van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verblijfsrichtlijn, zodat het aanvragen van een uitkering niet relevant is en dat niet kan leiden tot beëindiging van eisers verblijfsrecht in Nederland. Tot slot is de belangenafweging onjuist nu niet alle belangen hierbij zijn betrokken. Uit artikel 14 van de Verblijfsrichtlijn volgt immers dat het aanvragen van een uitkering niet automatisch leidt tot beëindiging van het verblijfsrecht en is onvoldoende ingegaan op de situatie dat eiser werkzoekende is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Toegepast toetsingskader
4. Uit het arrest Ziolkowski en Szeja volgt dat ‘legaal verblijf’ uit artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn moet worden opgevat als een verblijf in overeenstemming met de in de Verblijfsrichtlijn gestelde vereisten, in het bijzonder die van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Een verblijf in overeenstemming met het recht van een lidstaat, dat evenwel niet aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, van de richtlijn voldoet, kan niet worden aangemerkt als ‘legaal verblijf’ in de zin van artikel 16, eerste lid, daarvan.
5. Bij uitspraak van 15 november 2017 heeft de Afdeling geoordeeld dat de artikelen 8.12, eerste lid, 8.17, eerste lid, en 8.19 van het Vb de implementatie zijn van respectievelijk de artikelen 7, eerste lid, 16, eerste lid, en 19, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Volgens de Afdeling is niet gebleken dat die implementatie niet op de juiste wijze is geschied.
6. Niet in geschil is dat verweerder in het bestreden besluit heeft getoetst of eiser op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb verblijfsrecht heeft in Nederland en of op grond van artikel 8.17, eerste lid, van het Vb dit verblijfsrecht moet worden aangemerkt als duurzaam. Dit betekent dat verweerder, anders dan eiser stelt, terecht het toetsingskader uit het nationale recht heeft toegepast. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder deze bepalingen heeft uitgelegd en toegepast in het licht van de relevante bepalingen uit de Verblijfsrichtlijn.
Bewijslast
7. Op 28 februari 2023 heeft verweerder een brief ontvangen van de gemeente Tilburg, waarin een mededeling is gedaan dat eiser sinds 1 februari 2023 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Om die reden heeft verweerder bij voornemen van 10 oktober 2023 aan eiser medegedeeld dat hij onderzoek zal doen naar eisers verblijfsrecht in Nederland. Uit dit onderzoek is gebleken – zowel in het primaire als in het bestreden besluit gemotiveerd – dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb, zodat alleen al hierom het aan eiser was om het tegendeel nader te onderbouwen. De in beroep aangehaalde uitspraken van de Afdeling leiden niet tot een andere conclusie. Anders dan in die zaken aan de orde was, gaat het in eisers geval om verblijfsrecht dat declaratoir van aard is en dit verblijfsrecht van rechtswege eindigt als niet meer aan de vereisten wordt voldaan. Om die reden was het aan eiser om zijn verblijfsrecht aannemelijk te maken.
Duurzaam verblijfsrecht
8. Op grond van artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb volgt dat de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, duurzaam verblijfsrecht heeft in Nederland.
9. Op grond van artikel 8.17, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb volgt dat voor de berekening van het ononderbroken verblijf uit het eerste lid van deze bepaling, een afwezigheid uit Nederland van ten hoogste zes maanden per jaar geen onderbreking vormt.
10. Verder volgt uit het arrest Ziolkowski en Szeja dat iedere Unieburger die duurzaam verblijf in een lidstaat beoogt te verkrijgen, zelf moet aantonen dat hij of zij voldoet aan de vereisten uit artikel 8.12, eerste lid, van het Vb.
11. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder aanneemt dat eiser van 30 mei 2013 tot 10 april 2018 ingeschreven stond in de BRP. Verder neemt verweerder aan dat eiser in de periodes van 22 april 2018 tot 21 mei 2018, 17 juni 2018 tot 8 oktober 2018, 29 november 2020 tot 1 april 2021, 30 april 2022 tot 1 juni 2022 en 31 augustus 2022 tot 1 oktober 2022 in Nederland heeft verbleven, omdat dit steeds periodes van korter dan zes maanden betreffen. De periodes van 1 december 2019 tot 5 oktober 2020 en 30 juni 2021 tot 1 januari 2022 stond eiser niet ingeschreven in de BRP en werkte hij niet. Omdat deze twee periodes beide langer zijn dan zes maanden, wordt aangenomen dat eiser toen niet in Nederland verbleef.
12. In geschil is of eiser in de periode vóór 1 december 2019 reeds duurzaam verblijf heeft verworven en of hij in de periode na 1 januari 2022 voldoet aan de vereisten van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb.
13. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op enig moment duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, van het Vb heeft verworven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de periode van vijf jaar reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Verder is de niet onderbouwde stelling van eiser dat hij leefde van zijn spaargeld of onderhouden werd door zijn partner in de periodes waarin hij onvoldoende werkte of onvoldoende inkomen had, onvoldoende om aan te nemen dat hij voldeed aan de vereiste uit artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb. Voor zover eiser met de verklaring van zijn gestelde partner alsnog wil aantonen dat hij voldeed aan de vereiste uit artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder h, van het Vb, is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij een duurzame relatie heeft gehad met haar. In de verklaring wordt immers slechts benoemd dat eiser en zijn gestelde partner een relatie hadden van zeven jaar en samen hebben gewoond. Hoewel verder niet in geschil is dat eiser voor 1 december 2019 een periode van langer dan vijf jaar in Nederland heeft verbleven, heeft hij nagelaten aannemelijk te maken dat hij gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken heeft voldaan aan de vereisten uit artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Zoals in rechtsoverweging 8 is overwogen, is dit een vereiste om aan te tonen dat sprake is van duurzaam verblijfsrecht. Het enkel hebben van feitelijk verblijf voor de duur van vijf jaar in Nederland is dus onvoldoende. Voor zover eiser stelt dat hij op grond van artikel 21 van de Verblijfsrichtlijn zijn duurzaam verblijfsrecht kan aantonen met alle in Nederland gebruikelijke bewijsmiddelen wordt dit gevolgd. Echter, zoals hiervoor is overwogen, is eiser niet gelukt om ook met de gebruikelijke bewijsmiddelen aan te tonen dat hij duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen.
14.
Conclusie
19. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zodat hij Nederland moet verlaten.
20. Het beroep is ongegrond.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Richtlijn 2004/38/EG.
HvJEU 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:866.
ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3170.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vreemdelingenbesluit 2000.
HvJEU 11 juli 2002, ECLI:EU:C:2002:435 (Arrest Marks & Spencer).
ABRvS 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:607, en 11 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1949.
ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585.
ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3170.
Basisregistratie Personen.
ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3584.