Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:14321
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
993 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht zaaknummer: NL25.27697
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. van Wezel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsmaatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser geeft aan geen bezwaren te hebben tegen de maatregel, omdat hij daarin geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Hij spreekt enkel de hoop uit dat zijn overdracht naar Frankrijk spoedig zal plaatsvinden.
3. De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de maatregel niet wordt betwist. Uit de aanbiedingsbrief van verweerder, gedateerd 1 juli 2025, blijkt dat op 26 juni 2025 een terugname verzoek is verzonden aan de Franse autoriteiten. Ook heeft op 24 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Frankrijk.
4. De rechtbank overweegt verder dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 juli 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.