Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:14300
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,270 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26462
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen
het terugkeerbesluit
- verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij besluit van 26 april 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser heeft na oplegging van dat besluit de Europese Unie niet verlaten. Dat betekent dat het terugkeerbesluit van 26 april 2023 nog van kracht is. Daarmee is de oplegging van het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 als zodanig onverplicht en ten overvloede en roept dit terugkeerbesluit geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. Het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het hiertegen ingestelde beroep. De rechtbank komt om deze reden niet toe aan de bespreking van wat is aangevoerd over het terugkeerbesluit. Zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 juli 2023 volgt hieruit geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2. Op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 kan verweerder een inreisverbod opleggen aan een vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten. Gelet op het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit was verweerder bevoegd om op 2 juni 2025 aan eiser een inreisverbod op te leggen. Eisers stelling dat hij een verloofde en kind heeft met een nationaliteit van de Europese Unie en dat daarom moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Uit het gehoor bij bewaring blijkt bovendien dat eiser de achternamen van zijn gestelde verloofde en kind niet weet. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat sprake is van een aan zijn gestelde verloofde en kind afgeleid verblijfsrecht, terwijl het wel op de weg van eiser ligt om deze stelling te onderbouwen. Anders dan eiser stelt ligt het niet op de weg van verweerder om te onderzoeken of er sprake is van afgeleid verblijfsrecht. Gelet hierop kunnen ook de beroepsgronden die eiser over het inreisverbod heeft aangevoerd niet kunnen slagen.
3. Over de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de maatregel van bewaring die aan hem is opgelegd, is de beroepsrechter niet bevoegd een oordeel over te vellen. Daar kan alleen de bewaringsrechter over beslissen.
4. De rechtbank stelt tot slot ambtshalve in lijn met het arrest Ararat vast dat van omstandigheden of informatie die maken terugkeer van eiser naar Algerije leidt tot schending van het refoulementbeginsel niet is gebleken. De rechtbank wijst op eisers verklaring in het proces-verbaal van gehoor voor het opleggen van het inreisverbod dat hij veilig is in Algerije en niet te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade.
5. De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het terugkeerbesluit. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2023:2895.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2263.
Pagina 6 en 7 van het proces-verbaal van verhoor van 2 juli 2025.
Hof van Justitie van de Europese Unie 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
pagina 7 van het proces-verbaal van verhoor van 2 juli 2025.