Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:14213
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21368
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: m. R.M. Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Wat zegt eiseres?
5. Eiseres verwijst naar het AIDA rapport van ECRE van 24 mei 2024 (update 2023) waaruit volgt dat in Frankrijk de beoordeling van kwetsbaarheden bij de opvang van asielzoeker beperkt is, nu deze slechts ziet op de opvang en niet op de asielaanvraag. In bepaalde situaties kan dit in voorkomende gevallen een probleem opleveren. Een gegeven voorbeeld in het rapport is dat vrouwen die slachtoffer zijn van seksueel geweld en mensenhandel terecht kunnen komen in een opvanglocatie waar vooral mannen verblijven. Eiseres is in Frankrijk in de gedwongen prostitutie terecht gekomen en mishandeld en bedreigd. Genoemde situatie geldt dus voor haar zodat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij is eiseres door hetgeen in Frankrijk is gebeurd aan te merken als bijzonder kwetsbaar, ze doet een beroep op het arrest Tarakhel. Ook meent eiseres dat haar medische situatie maakt dat overdracht in strijd is met het arrest C.K. of in ieder geval een bijzondere individuele omstandigheid oplevert op grond waarvan de minister de aanvraag aan zich zou moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Kan uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Frankrijk, dat net als Nederland partij is bij het EVRM en het Handvest, zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan en dat er in Frankrijk sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het Jawo-arrest.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) meermaals heeft bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank acht het daarbij relevant dat de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat ook het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport (update 2023) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 2 mei 2024 is betrokken. Dit geldt ook voor de informatie waar eiseres naar verwijst. Daarbij is de situatie waar eiseres naar verwijst slechts een mogelijkheid, het betreft geen aan het systeem gerelateerde tekortkoming van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die in zijn algemeenheid resulteert in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister stelt niet ten onrechte dat uit de stelling van eiseres niet blijkt dat de genoemde hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Jawo is behaald. Het is aan eiseres om met documenten of eigen ervaringen aannemelijk te maken dat sprake is van een dergelijke situatie, zodat niet langer uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin is eiseres niet geslaagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Is eiseres bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel?
7. Met betrekking tot de stelling dat eiseres als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het Tarakhel-arrest, overweegt de rechtbank het volgende. In dat arrest hadden de vreemdelingen – een gezin met minderjarige kinderen – aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Italië geen adequate opvangvoorzieningen zouden krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, als aannemelijk is gemaakt dat zich vergelijkbare omstandigheden voordoen als die waarmee de vreemdelingen in het arrest zich geconfronteerd zagen. Het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon kunnen hierbij van belang zijn. De bewijslast dat sprake is van zo’n bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid, zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Eiseres heeft verklaard dat zij slachtoffer is van mensenhandel en gedwongen prostitutie. Ook heeft ze verklaard dat ze kampt met gezondheidsklachten, waaronder een vleesboom in haar baarmoeder, pijnklachten aan haar knie ten gevolge van mishandeling en psychische klachten, maar zij heeft niet met stukken onderbouwd dat zij daardoor bijzonder kwetsbaar is. Ook heeft zij niet met concrete bewijzen, dan wel indicaties, aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat eiseres in Frankrijk zal worden toegelaten tot de opvang en dat er medische zorg voor haar beschikbaar is als zij dat nodig heeft. Er is geen sprake van een medische behandeling die in Frankrijk niet zou kunnen worden gecontinueerd. Om die reden stelt de minister niet ten onrechte dat er geen individuele garanties van Frankrijk zijn vereist. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarbij met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese regelgeving. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie
8. Uit het arrest C.K. van het Hof van Justitie volgt dat sprake kan zijn van een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest wanneer de overdracht van een Dublinasielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Dat kan zelfs zo zijn indien niet ernstig gevreesd moet worden voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat. Het is aan de nationale autoriteiten van de overdragende lidstaat (in dit geval de minister) om bij het nemen van een overdrachtsbesluit rekening te houden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidstoestand van de asielzoeker die ten gevolge van de overdracht kunnen ontstaan. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidssituatie en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 r.o. 4 t/m 4.4.
Uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863.
Uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7.
ECLI:NL:RVS:2025:3297.