Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:14176
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 14 april 2025 aanvaard.
Mocht de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico zal lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt dat hij van Duitsland geen daadwerkelijke bescherming zal krijgen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die uitspraken geoordeeld dat de situatie die in het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) naar voren komt, geen ander beeld geeft van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die reeds zijn meegenomen in de beoordeling door de Afdeling. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Eiser is hier niet in geslaagd. De enkele stelling van eiser dat de Duitse autoriteiten hem op geen enkele wijze serieus hebben genomen en zich niet houden aan de Procedurerichtlijn, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Ook in het geval van eiser is niet gebleken dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Duitsland geen toegang meer heeft tot opvang en voorzieningen.
Is een overdracht in strijd met het verbod op (indirect) refoulement?
6. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement zal opleveren omdat de mogelijkheid bestaat dat eiser direct na zijn overdracht door de Duitse autoriteiten teruggestuurd wordt naar Tunesië.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 5.1), is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of met overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit moet in Duitsland worden beoordeeld.
Had de minister eisers asielverzoek in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
7. Het betoog van eiser dat de minister toepassing moet geven aan artikel 17 van de Dublinverordening, slaagt niet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiser heeft onvoldoende toegelicht waarom in zijn geval aanleiding zou bestaan voor de minister om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister hem aan Duitsland mag overdragen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.