Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:14163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
980 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22322
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. De rechtbank heeft, na hiervoor toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft op 20 juni 2025 meegedeeld dat eiser op 7 juni 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 20 juni 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 27 juni 2025 te kennen gegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser.
3. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
4. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en de reactie van de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.