Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:13837
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,802 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Uitleveringskamer
Kenmerk UTL-I-2025001591Parketnummer 09/015817-25
De rechtbank Den Haag , uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van de Albanese autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
opgegeven adres: [adres] te [postcode] [woonplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.
1Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken
1.1
Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 4 februari 2025 heeft het Ministerie van Justitie van de Republiek Albanië aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland, een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 4 februari 2025, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).
Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in de Republiek Albanië verdacht van oplichting van meerdere personen. De Durres First Instance Court of General Jurisdiction heeft in het kader van deze verdenking op 14 juli 2023 de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon bevolen.
Bij brief van 4 maart 2025 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door de Republiek Albanië gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van, dan wel in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te weten een Order for execution of criminal decision by the Prosecutor of First Instance Court of General Jurisdiction Durres d.d. 14 juli 2023 en een Decision by the Durres First Instance Court of General Jurisdiction d.d. 14 juli 2023;
een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;
informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.
1.3
De overige stukken
In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 april 2025, betreffende de opgeëiste persoon;
stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;
de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Den Haag van 6 februari 2025, bij de rechtbank ingekomen op 6 februari 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenneming / gevangenhouding van de opgeëiste persoon;
de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Den Haag, overgelegd ter zitting op 16 mei 2025, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 16 mei 2025;
een brief van de huisarts van de opgeëiste persoon d.d. 15 mei 2025, overgelegd door de raadsman ter zitting op 16 mei 2025.
2Het onderzoek ter zitting
2.1
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 16 mei 2025. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsman
mr. E.G.S. Roethof - heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij enkel de Albanese nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.
Namens het Openbaar Ministerie is verschenen de officier van justitie mr. L.T. Bregman.
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat in deze zaak sprake is van een civiel geschil waarbij het niet gaat om strafrechtelijke oplichting of fraude, maar om civielrechtelijke wanprestatie. Wanprestatie is in Nederland geen strafbaar feit en dus is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, aldus de raadsman van de opgeëiste persoon. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zaak verjaard is, nu de bouw van het appartementencomplex blijkens de stukken is gestart in 2009 en de Albanese verjaringstermijn blijkens de ingestuurde stukken 10 jaar is.
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een (dreigende) flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), nu Albanië het recht op artikel 6 EVRM niet kan waarborgen. De raadsman voert hiertoe aan dat de overheid van Albanië corrupt is en dat het rechtssysteem onvoldoende functioneert. Voorts stelt hij dat sprake is van een voltooide schending van artikel 6 EVRM. Hij voert hiertoe aan dat het nu al vaststaat dat de opgeëiste persoon geen recht op een eerlijk proces heeft, omdat de zaaksofficier van justitie is ontslagen vanwege corruptie. De nieuwe zaaksofficier van justitie heeft het opsporingsonderzoek in de zaak van de opgeëiste persoon niet overgedaan, maar enkel overgenomen en niet opnieuw uitgevoerd. Dit leidt ertoe dat de opgeëiste persoon veroordeeld dreigt te worden op basis van “feiten” die uit een opsporingsonderzoek zijn gekomen onder leiding van een corrupte officier van justitie.
Ook is er volgens de raadsman sprake van een (dreigende) schending van artikel 5 EVRM. De voorlopige hechtenis in Albanië duurt in de praktijk veel te lang. Procedures van vele jaren zijn niet ongebruikelijk.
Voorts is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat het detentieregime in Albanië leidt tot een (dreigende) schending van artikel 3 EVRM. Naast overbevolking en mishandeling is het gevangeniswezen niet in staat om medische zorg te bieden aan gedetineerden. De opgeëiste persoon heeft ernstige gezondheidsproblemen en zal dan medische zorg moeten ontberen. De raadsman wijst hiertoe onder meer op de brief van de huisarts.
Gelet op bovenstaande concludeert de raadsman dat de uitlevering niet toelaatbaar dient te worden verklaard.
2.3
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat de stukken genoegzaam zijn en dat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn.
Uit het uitleveringsverzoek blijkt dat de opgeëiste persoon ervan verdacht wordt de feiten te hebben gepleegd tot en met 2023. Het betreft hier naar Nederlands recht de strafbaarstellingen oplichting (art. 326 van het Wetboek van strafrecht), valsheid in geschrifte (art.
Beoordeling
3.1
Inleiding
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen.
In Nederland geldt een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden uit de UW en de verdragen betrokken kunnen worden in het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is zodoende vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter.
3.2
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek is, naast de UW, het Europees Uitleveringsverdrag (hierna: EUV) en de daarbij Aanvullende Protocollen van toepassing.
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het verzoek is conform artikel 18 van de UW en artikel 12 van het EUV vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting (“fraud”) van meerdere personen, te weten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] and [naam 11] , gepleegd in de periode van 2012 tot 2023.
Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking. Wel dienen de stukken een deugdelijke basis te vormen voor de toetsing door de rechter van het feitensubstraat aan de voorwaarden voor uitlevering. De stukken zijn naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam, nu het uitleveringsverzoek een voldoende nauwkeurige vermelding van feit, plaats en tijd bevat.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
Door de opgeëiste persoon is in verband hiermee allereerst aangevoerd dat de feiten zien op een louter civiele kwestie en dat daarom al geen sprake kan zijn van dubbele strafbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank bevinden zich in de stukken onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de zaak louter civielrechtelijk is. De rechtbank wijst in het bijzonder op de langere duur van de kwestie, waarbij verschillende personen beweren dat de opgeëiste persoon zijn afspraken met hen niet is nagekomen, leugens heeft verteld en waarbij bovendien vermoedens zijn ontstaan dat de opgeëiste persoon betrokken is geweest bij het meermaals doorverkopen van dezelfde appartementen. Uit de overgelegde stukken, en meer specifiek de Order for execution of criminal decision by the Prosecutor of First Instance Court of General Jurisdiction Durres d.d. 14 juli 2023 en een Decision by the Durres First Instance Court of General Jurisdiction d.d. 14 juli 2023, blijkt dat het verzoek om uitlevering is gedaan in het kader van een strafvervolging.
De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van “fraud”. Naar Albanees recht staat op dit feit een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht is dit feit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder artikelen 225, 321 en/of 326 van het Wetboek van Strafrecht, en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.
3.5
Ne bis in idem en verjaring
Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan – kort gezegd – de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 april 2025 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake.
Ook wordt ingevolge artikel 9 van de UW uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit dat is verjaard.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de zaak ten aanzien van het slachtoffer [naam 3] niet is verjaard, nu uit de stukken blijkt dat de verdenking van oplichting jegens dit slachtoffer betrekking heeft op de periode 2008-2013. Uitgaande van een verjaringsperiode van 10 jaar brengt dit de rechtbank tot het oordeel dat ten aanzien van dit onderdeel van de verdenking de uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard.
Voor de overige slachtoffers geldt dat naar Albanees of Nederlands recht geen sprake is van verjaring.
3.6
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 11 van de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.7 (
Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat sprake is van een (dreigende) flagrante schending van artikelen 3, 5 en 6 EVRM.
3.7.1
Juridisch kader
In beginsel dient bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van uitlevering te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het EVRM voorbehouden aan de minister.
Dictum
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Albanese autoriteiten van [de opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit.
Deze uitspraak is gewezen door:
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu en S.J.H. Oosterloo, LL.M, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 30 mei 2025.
Rechtbank den haag
Strafrecht
Uitleveringskamer
Kenmerk UTL-I-2025001591Parketnummer 09/015817-25
Advies inzake uitlevering aan de minister van Justitie en Veiligheid
De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, heeft bij uitspraak van heden, 30 mei 2025, de uitlevering aan de Republiek van Albanië van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
opgegeven adres: [adres] te [postcode] [woonplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon,
toelaatbaar verklaard. Een gewaarmerkt afschrift van deze uitspraak wordt u hierbij gezonden.
De rechtbank adviseert in uw overwegingen omtrent de beslissing of de uitlevering ook daadwerkelijk kan worden toegestaan het navolgende te betrekken.
Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het bezoek aan Albanië van 4 tot 15 mei 2023 van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT). Uit dit rapport volgt dat meer dan de helft van de totale gevangenispopulatie bestaat uit verdachten die in voorlopige hechtenis zitten. Sommige detentiefaciliteiten voor voorlopige hechtenis hebben daarom te kampen met overbevolking. Het blijft een uitdaging voor de Albanese autoriteiten om in het hele penitentiaire stelsel voor leefomstandigheden te zorgen die de mensenrechten naar tevredenheid waarborgen.
Ook blijkt uit het rapport dat de detentieomstandigheden in sommige gevangenissen nog steeds extreem slecht zijn (ernstige overbevolking, beperkte toegang tot daglicht, slechte ventilatie in cellen en vochtige muren). Niet overal zijn faciliteiten aanwezig voor het bieden van een zinvol regime voor gevangenen, waardoor gevangenen het grootste deel van de dag in hun (vaak overvolle) cellen doorbrengen.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het jaarlijkse rapport van The UN Subcommittee on Prevention of Torture dat op 14 april 2025 is uitgebracht. In dit rapport maakt de commissie, ten aanzien van Albanië, onder meer melding van een groot aantal mensen in voorlopige hechtenis en van onvoldoende toegang tot gezondheidszorg voor mensen in detentie.
Het recht op een eerlijk proces
De rechtbank heeft kennis genomen van het 2023 Country Report on Human Rights Practices: Albania van het Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor (U.S. Department of State). Uit dit rapport volgt dat de rechterlijke macht in Albanië niet volledig, onafhankelijk en efficiënt functioneert wegens politieke druk, corruptie en beperkte middelen.
Berechting binnen redelijke termijn
Volgens het hierboven genoemde 2023 Country Report on Human Rights Practices: Albania, liepen strafrechtelijke procedures vertraging op, onder meer door een tekort aan rechters en officieren van justitie. Deze situatie raakte verergerd door het doorlichtingsproces.
Dit advies is gegeven op 30 mei 2025 door:
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu en S.J.H. Oosterloo, LL.M, griffiers,
Beoordeling
Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en / of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter dat niet snel sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een 'flagrant denial of justice'.
Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van het EVRM, komt de uitleveringsrechter bij een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging niet toe, omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. Dit is anders bij een verzoek tot uitlevering ter fine van strafexecutie, in welk geval de uitleveringsrechter wel dient te beoordelen of sprake is van een voltooide flagrante inbreuk op artikel 6 van het EVRM en /of artikel 14, eerste lid, van het IVBPR.
De conclusie is dan ook dat de uitleveringsrechter aldus slechts kan oordelen over een beroep op een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM, een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het EVRM bij vervolgingsuitlevering en een voltooide flagrante schending van artikel 6 van het EVRM bij uitlevering ter fine van strafexecutie. Wel kan hetgeen is aangevoerd omtrent een (dreigende) schending van artikel 3 of 6 van het EVRM aanleiding vormen voor de uitleveringsrechter om eventuele opvattingen kenbaar te maken in een advies aan de minister als bedoeld in artikel 30 van de UW.
3.7.2
Toepassing van het juridisch kader in deze zaak
Het namens de opgeëiste persoon gedane beroep kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Van een voltooide schending van artikel 3 van het EVRM is namelijk in deze zaak evident geen sprake.
Voorts kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De stellingname van de verdediging dat Albanië corrupt is en dat het rechtssysteem onvoldoende functioneert met een enkele verwijzing naar een NRC artikel van 17 juni 2019 en een uitspraak van het Engelse Supreme Court van 11 juli 2013, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om vast te stellen a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Ook de uitspraak van het EHRM in de zaak Frroku v. Albania (Application no. 30658/18) van 4 februari 2025 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak heeft betrekking op (het ontbreken van) de motivering van een beslissing van het Constitutioneel Hof van Albanië. De rechtbank ziet anders dan de verdediging niet in waarom deze uitspraak tot de conclusie moet leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM in onderhavige zaak.
De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat vaststaat dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal hebben, nu de opgeëiste persoon vervolgd en veroordeeld dreigt te worden op basis van een opsporingsonderzoek dat is uitgevoerd onder leiding van een corrupte officier van justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu dat enkele gegeven niets hoeft te zeggen over de gegrondheid van de verdenkingen en daarmee dus nog geen sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces. Daar komt bij dat de betreffende officier van justitie inmiddels is ontslagen en daarna kennelijk is vervangen door een andere officier van justitie.
Aan toetsing van een (dreigende) flagrante schending van artikel 5 EVRM komt de rechtbank niet toe, nu deze toets is voorbehouden aan de minister.
Het beroep wordt derhalve verworpen.
3.8
Tot slot
Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.
4De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen
Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;
- artikelen 1, 12 en 22 van het EUV;
- artikelen 225, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.