Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:13809
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.27451 en NL25.27452
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Herlaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres heeft op 24 februari 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Oegandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1989. Zij heeft haar eerste asielaanvraag gedaan op 18 juli 2022 en daaraan ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is. Verweerder heeft haar eerste aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de aanvraag niet kennelijk ongegrond, maar wel ongegrond mocht worden verklaard. De ongegrondverklaring van de eerste asielaanvraag van eiseres is in rechte vast komen te staan. Op 24 februari 2025 heeft eiseres haar huidige asielaanvraag ingediend. Ook hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is. Eiseres is nu meer actief bij verschillende LHBTI-organisaties en heeft in Nederland een relatie met een vrouw, [naam] . Daarom heeft zij zichzelf meer geaccepteerd en durft zij haar verhaal beter te vertellen.
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
de lesbische gerichtheid van eiseres.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar haar lesbische gerichtheid niet. Verweerder merkt allereerst op dat de gerichtheid van eiseres in de vorige procedure ongeloofwaardig is geacht en dit in rechte vaststaat. Daarnaast wijst verweerder erop dat de relatie met [naam] al tijdens de vorige asielprocedure speelde. Eiseres heeft ook niet voldoende inzichtelijk verklaard over haar relatie en haar activiteiten voor LHBTI-verenigingen om haar gerichtheid aannemelijk te maken. De documenten die eiseres heeft overgelegd, namelijk een brief van [naam] , onderlinge berichten en foto’s met [naam] , doen hier niet aan af. Eiseres heeft daarom geen vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin en zij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder wijst de aanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond omdat het een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de seksuele gerichtheid van eiseres ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Van eiseres mocht niet worden verwacht dat zij in haar eerdere procedure al verklaarde over haar relatie, omdat zij er eerder niet over durfde te verklaren en de relatie nu sterk gegroeid is. Verweerder had [naam] ook moeten horen om de verklaringen van eiseres aan te vullen. Daarbij mocht verweerder niet aan eiseres tegenwerpen dat zij niet gedetailleerd kon verklaren over de reden dat [naam] haar land heeft verlaten. Bovendien heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres, omdat in het besluit niet is gemotiveerd hoe het referentiekader is betrokken bij de concrete tegenwerpingen. Tot slot is het opgelegde terugkeerbesluit in strijd met het verbod op refoulement, nu niet gegarandeerd kan worden dat eiseres zich veilig kan vestigen in Oeganda. Eiseres wijst erop dat online foto’s van haar rondgaan waarin zij negatief wordt weggezet vanwege haar seksuele gerichtheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Het referentiekader van eiseres
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het referentiekader van eiseres voldoende betrokken in de besluitvorming. In het voornemen heeft verweerder namelijk het referentiekader van eiseres uiteengezet. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met eiseres’ opleidingsniveau en werkervaring, haar proces van zelfacceptatie en het gegeven dat zij stottert. Verweerder heeft in de besluitvorming ook rekening gehouden met deze elementen, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat vanwege het proces van zelfacceptatie dat eiseres zegt te hebben doorlopen, verwacht mag worden dat zij nu meer diepgaand kan verklaren over haar gerichtheid. Daarnaast blijkt uit het verslag gehoor opvolgende aanvraag dat de hoormedewerker er rekening mee heeft gehouden dat eiseres stottert en haar de tijd heeft geboden om de vragen te beantwoorden. Verweerder heeft weliswaar in het bestreden besluit niet per tegenwerping aangegeven wat van eiseres verwacht mag worden met het oog op haar referentiekader, maar verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat meer van eiseres’ verklaringen als geheel verwacht mocht worden. Dit geldt te meer nu eiseres juist zelf heeft verklaard dat zij haar nieuwe asielaanvraag heeft ingediend omdat zij nu beter kan vertellen over haar gerichtheid en haar relatie. De door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 20 mei 2025 doet hier niet aan af omdat niet is gebleken dat het gaat om vergelijkbare situaties. Verweerder mocht er in dat kader ter zitting op wijzen dat de uitspraak van 20 mei 2025 gaat om het referentiekader van een minderjarige.
De geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiseres
8. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat de gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig is. De rechtbank wijst er allereerst op dat verweerder de opvolgende asielaanvraag, en daarmee de relatie met [naam] , inhoudelijk heeft beoordeeld. De grond dat de relatie tussen eiseres en [naam] moet worden aangemerkt als novum, met verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 juni 2016, kan dan ook niet slagen omdat verweerder is overgegaan op de inhoudelijke behandeling. Verweerder mocht nu bij de beoordeling betrekken dat de gerichtheid van eiseres in haar eerdere procedure al niet geloofwaardig is geacht en dat haar verklaringen in de huidige procedure haar gerichtheid niet alsnog aannemelijk maken. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiseres weinig persoonlijk inzicht heeft gegeven in haar relatie met [naam] , nu zij slechts oppervlakkig heeft verklaard over [naam] ’s eigenschappen, haar gevoelens voor [naam] en de activiteiten die zij samen ondernemen. De rechtbank is ook met verweerder van oordeel dat eiseres mag worden aangerekend dat zij de relatie niet in de vorige procedure heeft benoemd, terwijl ze nu stelt dat de relatie toen al bestond. Dat eiseres de relatie destijds niet heeft ingebracht, doet afbreuk aan haar geloofwaardigheid. Anders dan eiseres heeft betoogd, mocht verweerder ook aan eiseres tegenwerpen dat zij, ondanks haar verklaring dat zij en [naam] elkaar steunen in de asielprocedure, slechts zeer oppervlakkig kon vertellen waarom [naam] haar land van herkomst heeft verlaten. Hoewel eiseres heeft genoemd dat zij sinds haar vorige procedure actief is bij meer LHBTI-organisaties, hoefde verweerder ook hierin geen reden te zien om haar gerichtheid alsnog aannemelijk te vinden. Dat eiseres aanwezig is geweest bij verschillende activiteiten, weegt namelijk niet op tegen haar oppervlakkige verklaringen. Verweerder mocht er allereerst op wijzen dat eiseres in haar vorige procedure ook al heeft verklaard over haar betrokkenheid bij LHBTI-organisaties en dat die betrokkenheid nu niet sterk geïntensiveerd of veranderd lijkt. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiseres wel kon vertellen welke verhalen zij bij de LHBTI-organisaties heeft gehoord, maar vervolgens niet persoonlijk kon maken waarom die verhalen haar raken en wat voor invloed ze op haar hebben gehad. In de foto’s, berichten en brief van [naam] hoefde verweerder ook geen aanleiding te zien om tot een andere conclusie te komen. Verweerder mocht er in dat kader op wijzen dat het niet gaat om objectieve en verifieerbare bronnen en dat uit de foto’s en berichten niet direct een diepgaande relatie naar voren komt. Verweerder heeft de overgelegde stukken zo voldoende betrokken in de besluitvorming.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder nader onderzoek zal moeten doen en onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken.
10.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie pagina 3 van het voornemen.
ECLI:NL:RBDHA:2025:8794.
ECLI:NL:RVS:2016:1759.
NL22.16010.