Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:13746
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
937 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11440
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 5 oktober 2023.
1.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser met het besluit van 25 april 2025 ingewilligd.
1.2.
Naar aanleiding van dit besluit heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om op dat verzoek te reageren. De minister heeft verzoeker daarop het aanbod gedaan om zijn proceskosten tot een bedrag van € 453,50 te vergoeden.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. Als de minister een onvoorwaardelijk aanbod doet om de proceskosten te vergoeden en de rechtbank van oordeel is dat de vreemdeling daarmee volledig schadeloos wordt gesteld en geen ander belang heeft, dan betekent dit – ter voorkoming van nodeloos doorprocederen – dat het belang bij een verzoek om proceskostenvergoeding is vervallen.
3. De minister heeft aangeboden de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50 te vergoeden. Dat bedrag stemt overeen met het bedrag tot betaling waarvan deze rechtbank en zittingsplaats de minister gebruikelijk in het geval van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op een asielaanvraag veroordeelt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker met het aanbod van de minister volledig schadeloos wordt gesteld, zodat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een proceskostenvergoeding. De enkele stelling van verzoeker dat de minister langzaam en zonder het bestaan van een rechterlijke uitspraak vaak niet tot betaling van de proceskosten overgaat, geeft geen reden om daar anders over te oordelen. Het aanbod van de minister is onvoorwaardelijk gedaan en uit de rechtspraak volgt dat de vreemdeling de minister aan een dergelijk aanbod kan houden. De rechtbank verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom niet-ontvankelijk.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
De rechtbank doet dat met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht.
Vergelijk ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319, r.o. 3.
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag (zp Arnhem) 11 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4421, r.o. 7.1.
ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319, r.o. 3.