Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:13615
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
895 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20377
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL25.20376) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening (NL25.20377) te treffen, teneinde het bestreden besluit te schorsen, zodat verzoeker de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft op 12 mei 2025 verzocht het verzoek om een voorlopige voorziening op korte termijn, het liefst zo snel mogelijk, te behandelen.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker gedurende de behandeling van zijn beroep niet aan Duitsland wordt overgedragen. De inhoudelijke behandeling van het beroep staat gepland op 22 mei 2025. De uiterste datum voor overdracht aan Duitsland is 29 mei 2025. Omdat onzeker is of de rechtbank vóór die datum uitspraak kan doen, er zodoende sprake is van onverwijlde spoed en eiser er belang bij heeft de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. Dit betekent dat verzoeker in ieder geval niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het bestreden besluit (NL25.20376).
Conclusie
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Er bestaat in dit geval aanleiding om verweerder in te proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr) vast op een bedrag van € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,-, wegingsfactor 1). Verweerder dient dit bedrag te betalen aan de gemachtigde van verzoeker.
Dictum
De voorzieningenrechter:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL25.20376;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.