Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:13496
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3262
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit het Verenigd Koninkrijk, eiser
(wettelijke vertegenwoordiger: [naam] )
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
het ministerie van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering om zijn aanvraag voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.
1.2
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 maart 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 op zitting behandeld en het onderzoek geschorst in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.5
Eiser en verweerder hebben aanvullende stukken ingediend.
1.6
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting op 18 februari 2025 hervat. Daarbij waren de wettelijke vertegenwoordiger van eiser en zijn gemachtigde aanwezig. Ook de gemachtigde van verweerder was aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1
Eiser werd op [geboortedag] 2007 geboren in [geboorteplaats] , Nederland. Tegelijk met zijn ouders verkreeg hij in 2012 de Nederlandse nationaliteit. Eiser verhuisde op 29 maart 2013 met zijn ouders naar het Verenigd Koninkrijk. Tot op heden heeft eiser daar zijn hoofdverblijf. Op 23 juni 2022 verkreeg eiser de Britse nationaliteit. Zijn ouders verkregen op 8 september 2022 ook de Britse nationaliteit.
2.2
Op 21 november 2022 hebben de ouders van eiser tijdens hun vakantie voor hem een nieuw Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Khartoem, Soedan, omdat zijn oude paspoort was verlopen. De Consulaire Service Organisatie in Den Haag (CSO) weigerde deze aanvraag te behandelen. Reden hiervoor is dat de ouders van eiser op 8 september 2022 vrijwillig de Britse nationaliteit hebben verkregen en daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (RWN) voor hen verloren is gegaan. Gevolg hiervan is dat eiser, die op dat moment nog minderjarig was en de Britse nationaliteit al bezat, ook het Nederlanderschap verloor op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN.
Wat vindt eiser in beroep?
3.1
Primair doet eiser een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de RWN. Eiser woont namelijk vanaf 2013 in het Verenigd Koninkrijk en heeft daar sindsdien zijn hoofdverblijf gehad. Hij heeft dus als minderjarige, voorafgaand aan het verlies van zijn Nederlanderschap, ten minste negen jaar zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk gehad. Daarmee voldoet eiser aan de vereisten van deze uitzonderingsgrond. Dat hij niet deelde in de vrijwillige verkrijging van de Britse nationaliteit door zijn ouders, omdat hij die nationaliteit al enkele maanden bezat, doet daar volgens eiser niet aan af.
3.2
Subsidiair stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen Unierechtelijke evenredigheidstoets heeft verricht op grond van het Tjebbes-arrest.Op grond van deze toets is het bestreden besluit volgens eiser vanuit Unierechtelijk oogpunt onevenredig. Eiser betoogt dat zowel verweerder als de rechtbank op basis van dit arrest bevoegd zijn om te toetsen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en dat de mogelijkheid via artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN door verweerder ten onrechte als enige mogelijkheid is voorgeschreven om hieraan te toetsen. Eiser voert aan dat het verlies van het Nederlanderschap voor hem onevenredig is geweest. De nalatigheid van zijn ouders, namelijk dat zij niet hadden uitgezocht wat de gevolgen zouden zijn als zij de vrijwillig de Britse nationaliteit zouden verkrijgen, heeft negatieve gevolgen op eiser. Het Nederlanderschap is namelijk onderdeel van zijn identiteit en het verlies daarvan door nalatigheid van eisers ouders is in strijd met artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Daarnaast brengt het verlies van het Unieburgerschap onevenredige gevolgen met zich mee omdat eiser niet meer zijn recht op vrij verkeer kan uitoefenen om te studeren in de Europese Unie. Eiser voert verder aan dat het peilmoment van toetsing aan het Unirechtelijke evenredigheidsbeginsel weliswaar het moment van verlies van het Nederlanderschap is, maar dat ten tijde daarvan voorzienbaar was dat eiser zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten zou gaan uitoefenen, omdat het altijd al de bedoeling van de familie was om terug te keren naar Nederland om de kinderen in Nederland te laten studeren.
Wat vindt verweerder in beroep?
4.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitzondering van artikel 16 eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN niet van toepassing is op een minderjarige die de andere (vreemde) nationaliteit van de ouder reeds bezat op de datum dat de ouder die andere (vreemde) nationaliteit vrijwillig kreeg. Volgens verweerder volgt dit ook uit het voorbeeld in de Handleiding voor de toepassing van de RWN (de Handleiding) bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Eiser heeft namelijk op de datum waarop zijn ouders de Britse nationaliteit verkregen, 8 september 2022, geen nationaliteit verkregen. Hij bezat op dat moment al de Britse nationaliteit, namelijk sinds 23 juni 2022. Ook de overige uitzonderingen van artikel 16, tweede lid, van de RWN zijn volgens verweerder niet op eiser van toepassing.
4.2
Wat betreft eisers beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel stelt verweerder zich op het standpunt dat met de wijziging van de RWN van 1 april 2022 er is voorzien in een grondslag voor toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies. Daardoor kan volgens verweerder in de onderhavige procedure geen beroep worden gedaan op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het Tjebbes-arrest dient volgens verweerder immers zo te worden uitgelegd dat de Nederlandse regeling alleen verenigbaar kan zijn met artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) als die regeling de mogelijkheid biedt om in individuele gevallen een Unierechtelijke toets uit te voeren. Sinds de wetswijzing voorziet de RWN in een dergelijke mogelijkheid en is er geen sprake van strijd met artikel 20 VWEU vanwege het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid. Verweerder ziet daarom geen grondslag voor het uitvoeren van de verzochte toets aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Primaire beroepsgrond
5.1
De rechtbank is van oordeel dat de primaire beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de paspoortaanvraag van eiser in behandeling te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
5.2
Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a van de RWN verliest iemand zijn Nederlanderschap als hij vrijwillig een andere nationaliteit aanneemt. In het geval van een minderjarige geldt op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN dat hij zijn Nederlanderschap verliest indien een van zijn ouders vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in die verkrijging deelt of als hij die nationaliteit al bezit.
5.3
In het geval van eiser hebben zijn ouders vrijwillig de Britse nationaliteit verkregen op 8 september 2022 en verkreeg eiser al eerder, namelijk vanaf 23 juni 2022, de Britse nationaliteit. Uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 volgt dat het Nederlanderschap voor zijn ouders op 8 september 2022 verloren is gegaan op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a van de RWN. Dit betekent dat eiser op 8 september 2022 in beginsel zijn Nederlanderschap zou zijn verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.
5.4
Er zijn echter enkele uitzonderingen op het bovenstaande, waaronder de uitzondering genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, van de RWN. Het gaat dan om een minderjarige die gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft. In dat geval treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in.
5.5
Naar het oordeel van de rechtbank valt eiser onder deze uitzonderingsgrond. Eiser heeft namelijk gedurende een periode van meer dan vijf jaar ononderbroken zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk gehad, voordat hij en zijn ouders vrijwillig de Britse nationaliteit kregen.
Conclusie
6.1
Uit het voorgaande volgt dat verweerder onterecht heeft geweigerd om eiser een Nederlands paspoort te verlenen. Daarom slaagt het beroep. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat verweerder de paspoortaanvraag onterecht heeft geweigerd, is er slechts één uitkomst mogelijk, daarom zal de rechtbank zelf voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat er alsnog een Nederlands paspoort aan eiser moet worden verleend.
6.2
Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep. Deze kosten worden vastgesteld op in totaal € 4015,- (€ 1294,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,-) en € 2721 in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde van € 907,- per punt)). Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht in beroep terug.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 30 maart 2023;
herroept het besluit van 7 december 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 maart 2023;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4015,-; en
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hof van Justitie van de Europese Unie 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189.
Zaaknummer SGR 23/3265.
Kamerstukken II 1997/98, 25 891 (R 1609), nr. 3.