Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:13484
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,373 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/673461 / HA ZA 24-849
Vonnis – bij vervroeging – van 29 januari 2025
in de zaak van
[de vrouw]
, te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. H.P. Schouten,
tegen
[de man]
, te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. R.N. Baldew.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 september 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de akte houdende rectificatie in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 11 december 2024 waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum] 1969 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Op 1 juli 2005 is het huwelijk beëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
2.2.
[de man] heeft gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd bij Centraal Beheer. Vanaf 1 oktober 2010 heeft [de man] recht op een pensioenbedrag van € 7.812 per jaar. Centraal Beheer heeft dit bedrag vanaf 1 oktober 2010 ook aan [de man] uitbetaald.
2.3.
Op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding heeft [de vrouw] recht op een deel van het pensioen van [de man] . Bij brief van 4 september 2024 heeft Centraal Beheer aan [de man] bericht dat [de vrouw] recht heeft op een bedrag per jaar van € 2.762,61. Vanaf 1 september 2024 maakt Centraal Beheer het bedrag waarop [de vrouw] recht heeft, direct over aan [de vrouw] .
2.4.
In de brief van 4 september 2024 heeft Centraal Beheer [de man] bericht dat het bedrag waarop [de vrouw] over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 september 2024 recht heeft € 38.446,32 bedraagt.
2.5.
[de man] is vanaf 1 oktober 2024 begonnen met het maandelijks betalen aan [de vrouw] van een bedrag van € 100.
Geschil
in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert – samengevat – de veroordeling van [de man] tot betaling van € 38.446,32, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[de vrouw] legt aan de vordering ten grondslag dat [de man] ten onrechte over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 september 2024 het aan haar toekomende deel van zijn pensioen niet aan haar heeft uitbetaald.
in reconventie
3.3.
[de man] vordert – samengevat – dat er een betalingsregeling zal gelden tussen partijen van € 100 per maand, welk bedrag [de man] steeds op de eerste van de maand zal betalen.
3.4.
[de man] legt aan de vordering ten grondslag dat hij niet in staat is om het door hem aan [de man] verschuldigde bedrag in een keer aan haar te betalen. Dit blijkt uit de bewijzen met betrekking tot zijn inkomen die hij al aan [de vrouw] heeft overgelegd.
in conventie en in reconventie
3.5.
Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op hun samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de man] in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 september 2014 het aan [de vrouw] toekomende deel van het pensioen van [de man] niet aan [de vrouw] heeft betaald dan wel laten betalen. Inmiddels betaalt Centraal Beheer het aan [de vrouw] toekomende bedrag direct aan haar.
4.3.
In de conclusie van antwoord heeft [de man] zich erop beroepen dat beide partijen niet alert zijn geweest, dat [de vrouw] lang stil is blijven zitten en dat [de vrouw] wist dat [de man] pensioen ontving. De rechtbank leest hierin een beroep op verjaring. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] verteld dat zij inderdaad al in 2010 wist dat [de man] een pensioen ontving. Hij had een baan genomen, die zij eigenlijk zou krijgen. Zij heeft in 2010 een advocaat ingeschakeld om het bedrag bij [de man] te innen. De advocaat zou ook nog andere zaken in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding voor haar regelen. De advocaat heeft echter weinig tot niks voor haar gedaan. Daarna is alles stil blijven liggen, onder andere door Corona.
4.4.
Aldus heeft [de vrouw] zelf bevestigd dat ze al in 2010 wist dat [de man] een pensioen kreeg waarop zij deels recht had. De acties die zij toen heeft ondernomen zijn echter op niets uitgelopen. Daarna heeft ze pas weer in de zomer van 2024 actie ondernomen door haar huidige advocaat in te schakelen. Dat zij wist van het pensioen heeft zij toen niet aan haar advocaat verteld.
4.5.
Door het stilzitten van [de vrouw] is een deel van haar vordering verjaard. Zij heeft na 2010 voor het eerst in juli 2024 een brief laten sturen aan [de man] met het verzoek haar deel van zijn pensioen aan haar te betalen. Dit betekent dat zij op dat moment de lopende verjaring heeft gestuit. Dit betekent dat de vordering is verjaard tot vijf jaar voor het moment waarop zij de brief in juli 2024 heeft gestuurd. Pensioenen worden over het algemeen aan het einde van de maand betaald, zodat [de vrouw] nu nog recht heeft op het door haar misgelopen pensioen vanaf juli 2019 tot 1 oktober 2024. Dit zijn vijf jaar en drie maanden. Tijdens de mondelinge behandeling is gerekend met vijf jaar en twee maanden, maar dat is dus een maand te weinig.
4.6.
[de vrouw] heeft recht op vijf keer het jaarbedrag van € 2.762,61 is € 13.813,05. En op drie maal het maandbedrag van € 2.762,61 gedeeld door 12 is drie maal € 230,22 is € 690,65. Totaal is dit een bedrag van € 13.813,05 plus € 690,65 is € 14.503,70. [de man] heeft vanaf 1 oktober 2024 maandelijks een bedrag van € 100 betaald. Dit zijn vier maanden en dus € 400. Dit mag van het openstaande bedrag worden afgetrokken, zodat een door [de man] te betalen bedrag van € 14.103,70 resteert.
4.7.
[de man] heeft aangevoerd dat hij het bedrag niet in een keer kan betalen. Verder heeft hij aangevoerd dat hij maar € 100 per maand aan [de vrouw] kan betalen. [de vrouw] heeft aangevoerd dat op basis van de door [de man] aan haar advocaat opgestuurde financiële stukken niet kan worden beoordeeld wat de draagkracht van [de man] werkelijk is en welk bedrag hij maandelijks kan betalen. Zij wil een vonnis en vervolgens de deurwaarder laten onderzoeken wat de financiële mogelijkheden van [de man] zijn. [de man] wil dat de rechtbank de betalingsregeling van € 100 per maand in een vonnis vastlegt. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid voor de rechtbank om een betalingsregeling aan [de vrouw] op te leggen. De vordering van [de man] zal dan ook worden afgewezen.
4.8.
Een en ander betekent dat de rechtbank [de man] zal veroordelen een bedrag van € 14.103,70 aan [de vrouw] te betalen. [de vrouw] vordert de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. [de man] heeft op dit punt geen verweer gevoerd en ook overigens verzet zich niets tegen dit gedeelte van de vordering van [de vrouw] . [de man] zal dan ook worden veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente over het door hem verschuldigde bedrag vanaf 26 september 2024.
4.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
in conventie
5.1.
veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te betalen een bedrag van € 14.103,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 september 2024, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
verklaart de veroordeling onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [de man] af;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.