Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:13393
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,913 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26101
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk niet ten onrechte de seksuele gerichtheid ongeloofwaardig geacht. Daarnaast mocht de minister ook de geboortedatum van eiser ongeloofwaardig vinden. Verder heeft de minister het Bureau Medische Advisering (BMA) niet om advies hoeven vragen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 mei 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1998. Eiser is homoseksueel en de mensen uit zijn omgeving hadden hierover een vermoeden. In Gambia kan eiser daarom niet in vrijheid leven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. seksuele gerichtheid;
3. problemen vanwege seksuele gerichtheid.
De minister acht de geboortedatum, als onderdeel van de identiteit van eiser, niet geloofwaardig. Zijn nationaliteit en herkomst worden wel geloofwaardig geacht. Het tweede en derde relevante element acht de minister ongeloofwaardig, waarbij de gemachtigde van de minister op de zitting heeft aangegeven dat het tweede en derde relevante element als één element zijn samengevoegd en in samenhang zijn beoordeeld in het besluit. De minister concludeert ten aanzien van de geloofwaardig geachte asielelementen dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en ook geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Gambia.
Had de minister het BMA onderzoek moeten laten uitvoeren?
5. Eiser betoogt dat de minister het BMA in dient te schakelen. Hierbij heeft hij zijn medisch dossier tot en met begin mei 2024 overgelegd.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het overgelegde medische dossier geen aanleiding geeft om het BMA te raadplegen. Naast dat eiser pas in beroep een medisch document heeft overgelegd, heeft hij niet onderbouwd waarom op basis hiervan het BMA geraadpleegd zou moeten worden. Het medisch dossier bevat namelijk gedateerde informatie en eiser heeft geen recente medische stukken overgelegd. De minister stelt daarom terecht dat niet gesteld of gebleken is dat eiser medisch gezien niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst.
Hecht de minister ten onrechte geen geloof aan de identiteit van eiser?
6. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum] 1998 zoals in zijn paspoort, waarvan hij een kopie heeft overgelegd, vermeld is. Eiser heeft dit paspoort geregeld nadat hij Gambia heeft verlaten, waardoor de afgiftedatum ná het vertrek ligt. Het originele paspoort kan eiser niet overleggen en hierover had de minister, in het kader van de samenwerkingsverplichting, nadere vragen moeten stellen. Bijvoorbeeld door aan de gemachtigde van eiser om schriftelijke toelichting te vragen.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de geboortedatum van eiser niet geloofwaardig is. Ter onderbouwing van zijn geboortedatum heeft eiser enkel een kopie van een paspoort overgelegd dat zou zijn afgegeven op 7 oktober 2020. Naast dat een kopie niet op echtheid gecontroleerd kan worden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over het verlies en de afgifte van het paspoort. In het aanmeldgehoor Dublin van augustus 2021 verklaart eiser daarover tegenstrijdig, namelijk eerst dat hij ooit een identiteitsbewijs en/of paspoort heeft gehad maar deze onderweg is kwijtgeraakt en vervolgens dat hij een paspoort had maar deze is verloren bij een brand in Gambia. Hij verklaart daarbij tevens dat hij daarna niet een nieuw paspoort heeft aangevraagd. Nu in beroep stelt eiser dat hij pas ná zijn vertrek uit Gambia een paspoort heeft geregeld, waarvan hij een kopie heeft overgelegd. Deze stelling komt niet overeen met dat wat door eiser verklaard is gedurende de procedure. Uit de eerdere verklaringen van eiser blijkt namelijk dat hij het paspoort in ieder geval al had voordat hij uit Gambia vertrok. Eiser heeft daarnaast niet uitgelegd waarom deze verklaringen volgens hem niet tegenstrijdig zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hierover nadere vragen gesteld hadden moeten worden. Zoals de gemachtigde van de minister terecht heeft opgemerkt op de zitting, is de kopie al bij de zienswijze overgelegd en eiser had toen uitleg kunnen geven over waarom deze niet eerder is overgelegd en de onduidelijkheden over de afgifte van het paspoort kunnen uitleggen. Ook in beroep heeft eiser hierover geen nadere uitleg gegeven. Met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van de geboortedatum van eiser heeft de minister tot slot ook mee mogen wegen dat eiser in Duitsland en Zwitserland een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Hecht de minister ten onrechte geen geloof aan de seksuele gerichtheid van eiser?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen geloof hecht aan zijn seksuele gerichtheid. Hij voert– samengevat – het volgende aan. Eiser heeft niet wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Hij heeft ook voldoende verklaard over wanneer en hoe zijn gevoelens voor mannen zijn ontstaan, wat dit met hem deed en ook voldoende verklaard over zijn gevoelens in zijn relatie. Van eiser kon niet meer dan dit verwacht worden, waarbij de minister rekening had moeten houden met eiser als persoon en zijn culturele achtergrond.
Referentiekader
7.1.
De rechtbank wijst allereerst op het referentiekader zoals de minister dat in het voornemen heeft opgenomen. Hierin is opgenomen dat eiser een volwassen man van in de twintig is, dat hij tot de twaalfde klas op de middelbare school heeft gezeten en dat hij moeite heeft met praten omdat eiser, zoals hij zelf heeft verklaard, van nature niet zo is. Daarnaast heeft de minister in het verweerschrift gewezen op de Werkinstructie 2019/17 waarin staat dat bij de beoordeling van lhbti-zaken rekening wordt gehouden met het referentiekader van een vreemdeling, waarbij de culturele achtergrond een rol speelt. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat bovenstaand referentiekader eiser niet ontslaat van het afleggen van samenhangende verklaringen en het vertellen van een authentiek en persoonlijk verhaal. Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser zich al langere tijd in Europa heeft kunnen uiten als lhbti’er en daarom van hem meer verwacht mocht worden. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser tijdens het nader gehoor voldoende gelegenheid en ruimte is geboden om zijn gedachten en verklaringen persoonlijk te maken. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser heeft dit ook niet nader onderbouwd.
Geloofwaardigheid relaas
7.2.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is van belang dat van eiser verwacht mag worden dat hij een authentiek en persoonlijk verhaal vertelt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake is. In het gehoor zijn aan eiser korte en gerichte vragen gesteld en de vragen zijn meermaals herhaald en verduidelijkt waarbij is aangegeven dat eiser gedetailleerd en uitgebreid mag verklaren, maar eiser blijft oppervlakkig in zijn antwoorden. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat ondanks dat eiser uitgebreid is gehoord, hij met zijn verklaringen er niet in geslaagd is om inzicht te geven in de eigen, persoonlijke beleving van zijn homoseksualiteit en zijn gevoelens en gedachten bij de ontdekking daarvan.
Daarnaast heeft de minister terecht gewezen op onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser. Eiser heeft in beroep onvoldoende onderbouwd waarom zijn verklaringen wel voldoende zijn en waarom geen sprake is van onduidelijkheden en tegenstrijdigheden.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven en eiser geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Pagina 4, Aanmeldgehoor Dublin van 9 augustus 2021.
Zie ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
Pagina 11, 12 en 13, nader gehoor van 27 juli 2023.
Pagina 11, aanmeldgehoor Dublin.