Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:13377
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,063 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7509
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
2.1.
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende
bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
2.3.
Op 7 april 2025 heeft verweerder een schermafbeelding van zijn interne systeem (Indigo) overgelegd waaruit volgt dat eiser op 26 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het COA. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, het COA, AVIM of de DT&V. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of hij nog contact heeft met eiser. Bij brief van 29 april 2025 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij op dat moment geen contact had met eiser, maar dat eiser was geïnformeerd over de geplande zitting op 19 juni 2025, zodat het beroep werd gehandhaafd. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 17 juni 2025 medegedeeld dat hij geen contact heeft met eiser. Eiser reageert niet op zijn contactverzoeken en de gemachtigde weet niet of eiser al dan niet uit Nederland is vertrokken.
2.4.
Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken, hij geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde over de voortgang van de procedure, de gemachtigde niet weet waar eiser zich bevindt en eiser niet op de zitting is verschenen terwijl hij volgens zijn gemachtigde wel is geïnformeerd over de zitting, moet het ervoor worden gehouden dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Gelet hierop heeft hij geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
2.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025 door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.