Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:13260
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,457 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15051
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Toes ( [nummer] ). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft ten aanzien van de gronden aangevoerd dat de zware gronden onder 3a en 3i ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Dit geldt volgens eiser ook voor de lichte gronden onder 4a en 4b. Wat betreft de zware grond onder 3a stelt eiser zich op het standpunt dat hij wel degelijk legaal Nederland is ingereisd. Zijn paspoort is namelijk pas verloren gegaan nadat hij Nederland was ingereisd. Met betrekking tot zware grond onder 3i voert eiser aan dat hij heeft gezegd dat hij niet terug kan naar Ghana omdat hij daar gevaar loopt. Weliswaar is eisers opvolgende asielaanvraag door de minister bij het besluit van 28 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard, maar eiser volhardt in zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Ghana gevaar loopt. Onder die omstandigheden kan niet aan hem worden tegengeworpen dat hij heeft aangegeven niet terug te willen naar Ghana. Over de lichte grond onder 4a brengt eiser naar voren dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet aan de documentatieplicht van artikel 4.21 van het Vb 2000 heeft gehouden. Zonder familieleden in het land van herkomst is het voor eiser niet mogelijk om aan documenten te komen die nodig zijn voor het aanvragen van een paspoort. Ten aanzien van de lichte grond onder 4b voert eiser tenslotte aan dat hij niet inziet waarom er een risico op onttrekking bestaat als je meerdere vreemdelingrechtelijke procedures voert.
3. De minister heeft ter zitting aangegeven dat zowel de zware grond onder 3a als die onder 3d komt te vervallen.
4. Naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen in ieder geval de overige door eiser niet betwiste zware gronden onder 3b en 3cd en de lichte gronden onder 4c en 4d de maatregel dragen. Onder die omstandigheden behoeft het betoog van eiser dat de zware gronden onder 3a en 3i en de lichte gronden onder 4a en 4b ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, geen bespreking.
5. Eiser heeft verder aangevoerd dat het zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen ontbreekt. Weliswaar is eiser niet bekend met rechtspraak waarin is geoordeeld dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Ghana ontbreekt, maar evengoed is er nog geen datum bekend waarop eiser aan de Ghanese autoriteiten kan worden gepresenteerd.
6. Dit betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten dat het zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit kader in de eerste plaats naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4500). In deze uitspraak wordt onder meer rechtsoverweging 7 van de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 november 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:19070) overgenomen, waarin is geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank is verder ambtshalve bekend met informatie op de website van Dienst Terugkeer & Vertrek waarop ten aanzien van gedwongen terugkeer naar Ghana is vermeld dat gedwongen terugkeer mogelijk is en dat de diplomatieke vertegenwoordiging laissez-passers (lp’s) afgeeft voor gedwongen en zelfstandige terugkeer. Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan aan deze informatie moet worden getwijfeld. Verder maakt het enkele feit dat er op dit moment voor eiser nog geen datum bekend is voor een presentatie bij de Ghanese autoriteiten, niet dat het zicht op uitzetting in het algemeen ontbreekt. Ook vormt dit geen aanwijzing dat in eisers specifieke geval het zicht op uitzetting ontbreekt. Daarbij betrekt de rechtbank dat vanuit de Ghanese autoriteiten geen bericht is ontvangen dat zij aan eiser geen lp zullen verstrekken. Verder komt aan het feit dat er op dit moment voor eiser nog geen datum bekend is voor een presentatie bij de Ghanese autoriteiten ook in dit verband geen betekenis toe, aangezien de lp-aanvraag zeer kort geleden (op 1 april 2025) aan de Directie Internationale Aangelegenheden is doorgezonden om in te dienen bij de Ghanese autoriteiten.
7. Eiser heeft – tot slot – aangevoerd dat de minister met een lichter middel dan bewaring had moeten volstaan. Eiser wijst er in dat kader op dat hij ziek is en onder andere problemen heeft met zijn lever. Daarnaast valt de detentie hem zwaar, in het bijzonder omdat hij jarenlang dakloos is geweest en de overgang naar detentie voor hem zeer groot is. Eiser ziet de muren op zich afkomen en heeft hierdoor stress gerelateerde klachten. Met name deze voormalige dakloosheid is door de minister onvoldoende betrokken bij het besluit om hem in bewaring te stellen, aldus eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in de maatregel terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft allereerst te gelden dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank verder dat de gestelde medische en psychische klachten van eiser door de minister voldoende zijn betrokken. Omdat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij, mag worden aangenomen dat de benodigde (gespecialiseerde) medische en psychische zorg in het detentiecentrum kan worden verleend. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat een vreemdeling in het detentiecentrum de voor hem benodigde gezondheidszorg kan krijgen. Eiser heeft niet onderbouwd dat de medische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is of dat in zijn geval, indien nodig, niet voldoende zorg kan worden gegeven in verband met zijn (geestelijke) gezondheidssituatie. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is. Dit ligt volgens vaste rechtspraak wel op zijn weg (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2666). Verder ziet de rechtbank in eisers voormalige dakloosheid – zoals voor het eerst uitgebreid door eiser toegelicht op de zitting – evenmin aanleiding voor het oordeel dat de minister alsnog met een lichter middel moet volstaan. Ook in dat kader geldt namelijk dat door eiser onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zijn voormalige situatie als dakloze hem in het geheel detentieongeschikt maakt. Dat de detentie voor hem moeilijk is, heeft eiser overtuigend toegelicht, maar dit is op zichzelf niet voldoende. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
9.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.