Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:13119
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,928 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1380
Zaaknummer: C/09/680768
Datum beschikking: 3 april 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 21 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man]
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E.R. van Herpen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.J. van Smaalen te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
het F9-bericht van de man van 17 maart 2025, met bijlagen;
het F9-bericht van de vrouw van 18 maart 2025, met bijlage.
Op 20 maart 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat en diens kantoorgenoot, mr. M..E. Ernens;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats] .
Zij zijn de ouders van het volgende, minderjarige kind:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (roepnaam: [de minderjarige] );
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Duitse
nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
ten aanzien van de echtelijke woning:
primair: de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning (inclusief het perceel) te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behoudens instemming van de man in de periode waarin hij de zorg voor [de minderjarige] draagt, alsook te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van voornoemde echtelijke woning, met inbegrip van de inboedel en het bevel dat de man de woning verder niet meer mag betreden (behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw) in de periode waarin zij de zorg voor [de minderjarige] draagt;
subsidiair: de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning (inclusief het perceel) te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behoudens instemming van de man;
primair en subsidiair: op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat de vrouw de woning (inclusief het perceel) zonder voorafgaande instemming van de man betreedt, met een maximum van € 10.000,-, althans een dwangsom die de rechtbank passend acht;
ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
primair: een zorgregeling vast te stellen waarbij de man en de vrouw in de vorm van een week-op-week-af-regeling de zorg voor [de minderjarige] dragen, met als wisselmoment vrijdagmiddag na schooltijd. Indien de vrijdag een vrije schooldag is, dan is het wisselmoment op donderdagmiddag uit school of de buitenschoolse opvang;
subsidiair: een opbouwregeling vast te stellen, waarbij binnen drie maanden wordt toegewerkt naar een 50/50-regeling, zoals primair verzocht, met dien verstande dat:
de eerste vier weken: de man zorg draagt voor [de minderjarige] in week 1 van woensdag uit school tot donderdag naar school en in week 2 van vrijdag uit school tot maandag naar school;
de tweede vier weken: de man zorg draagt voor [de minderjarige] in week 1 van woensdag uit school tot vrijdag naar school en in week 2 van vrijdag uit school tot maandag naar school;
vanaf acht weken: de man zorg draagt voor [de minderjarige] vanaf vrijdag uit school tot de week erop;
een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stelen conform het door de man overgelegde schema;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen het verzochte (uitsluitend) gebruik van de woning en de zorgregeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De vrouw verzoekt daarnaast – na aanvulling – zelfstandig:
- dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden, behoudens met instemming van de vrouw;
- dat [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en [de minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft:
iedere woensdag na schooltijd tot 18.00 uur (voor het avondeten);
iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur (voor het avondeten);
dan wel een regeling – ingeval de man geschikte woonruimte heeft, waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft:
een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur (voor het avondeten);
en waarbij de man [de minderjarige] steeds ophaalt en terugbrengt en waarbij steeds op vrijdagavond om 18.00 uur belcontact plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de vader;
- een verdeling van de vakanties vast te stellen, mits de man over geschikte verblijfsruimte beschikt, waarbij [de minderjarige] bij de man is:
in de meivakantie 2025: van zaterdag 19 april 2025, 10.00 uur tot en met maandag 21 april 2024, 18.00 uur en van donderdag 1 mei 2025 (uit de bso) tot en met zondag 4 mei 2025, 18.00 uur;
in de zomervakantie 2025: van zaterdag 26 juli, 10.00 uur tot en met zondag 3 augustus 2025, 18.00 uur;
in de herfstvakantie 2025: van zaterdag 18 oktober 2025 tot zaterdag 25 oktober 2025, 10.00 uur;
- een verdeling van de bijzondere dagen vast te stellen in die zin dat [de minderjarige] :
tijdens Moederdag bij de moeder is van 10.00 uur tot 18.00 uur indien [de minderjarige] dat weekend bij de vader is;
tijdens Vaderdag bij de vader is van 10.00 uur tot 18.00 uur indien [de minderjarige] dat weekend bij de moeder is;
tijdens zijn verjaardag bij de ouder verblijft bij wie hij volgens de reguliere zorgregeling verblijft, tenzij in onderling overleg anders wordt overeengekomen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 447,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van indiening van het verzoek, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 494,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van indiening van dit verzoek, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe en past daarbij Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning en voorlopige zorgregeling
Gelet op de onderlinge samenhang ziet de rechtbank aanleiding om de verzoeken van partijen ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de voorlopige zorgregeling van beide partijen, gezamenlijk te behandelen.
De man heeft primair verzocht om het uitsluitend gebruik van de woning en een zorgregeling, in die zin dat hij de ene week met [de minderjarige] in de woning is en de vrouw de andere week, een zogenaamde ‘birdnesting-constructie’. De man heeft op 14 december 2024 aan de vrouw meegedeeld te willen scheiden. Na een escalatie op 5 januari 2025 heeft de man besloten tijdelijk de woning te verlaten. De man heeft in de afgelopen periode maar beperkt contact gehad met [de minderjarige] , namelijk de laatste weken op woensdagmiddag na school en op zondag, en hij wil net als voorheen een gelijkwaardige ouderrol vervullen. Daarnaast vindt de man het belangrijk dat [de minderjarige] in ieder geval de komende tijd een vaste verblijfplaats heeft, zonder te moeten wisselen. De man heeft in de afgelopen tijd afwisselend bij zijn moeder (in het oosten van het land) en collega’s heeft verbleven, en dit is voor hem mede gelet op zijn werk niet langer haalbaar.
De vrouw kan zich niet vinden in een ‘birdnesting-constructie’. Zij verzoekt om het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te delen, en daarbij een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] op woensdag en zondag contact heeft met de man. Gedurende het huwelijk droeg de vrouw vrijwel alle zorg voor [de minderjarige] ; de man had hier nauwelijks bemoeienis mee. [de minderjarige] slaapt ook bij de vrouw in bed. Voortzetting van deze situatie is volgens de vrouw daarom het meest in zijn belang. Een week-op-week-af-regeling acht zij niet haalbaar, omdat de man niet gewend is om zorg te dragen voor [de minderjarige] en [de minderjarige] belang heeft bij rust, regelmaat en duidelijkheid. De vrouw heeft daarnaast – anders dan de man – geen mogelijkheden om elders te verblijven, mede omdat haar familie en vrienden in Duitsland wonen.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals ook beide ouders hebben aangeven is het in het belang van [de minderjarige] dat hij regelmatig contact heeft met zijn beide ouders. Door het eindigen van de relatie van partijen is een nieuwe situatie is ontstaan. Zelfs als het zwaartepunt van de zorg gedurende het huwelijk bij de vrouw lag, hetgeen de man betwist, is niet gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat een gelijkwaardige verdeling van de zorg voor [de minderjarige] niet mogelijk of wenselijk is. Daarbij speelt een rol dat een zorgregeling waarbij de vader en [de minderjarige] elkaar slechts buitenshuis kunnen zien, omdat de vader geen woning in de buurt heeft, niet in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank zal daarom een week-op-week-af-regeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] steeds in de echtelijke woning verblijft en partijen afwisselen. Dit biedt aan [de minderjarige] de benodigde stabiliteit en duidelijkheid en geeft beide ouders de mogelijkheid om (gedeeltelijk) in de woning te verblijven. De rechtbank vindt het bij deze zorgregeling wel van belang – zoals ook door de Raad naar voren is gebracht – dat gedurende de week contact plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de ouder bij wie hij die week niet verblijft. De rechtbank zal daarom ook vaststellen dat [de minderjarige] twee keer per week op een rustig moment met de andere ouder zal (beeld)bellen.
Daarnaast geeft de rechtbank aan partijen mee dat zij samen afspraken zullen moeten maken over de verdere invulling van het ouderschap na de scheiding en alle praktische keuzes die daarbij ook komen kijken. Indien dit hen onvoldoende lukt, kunnen zij hiervoor hulpverlening zoeken via de gemeente, bijvoorbeeld in de vorm van ouderschapsbemiddeling.
Gelet op deze vast te stellen voorlopige zorgregeling zal de rechtbank de verzoeken tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning deels toewijzen, te weten voor de periode dat de man respectievelijk de vrouw in de woning zal verblijven met [de minderjarige] , en voor het overige afwijzen. Daarbij zal vrijdag na schooltijd als wisselmoment worden vastgesteld. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom ingeval de vrouw zich niet aan de uitspraak houdt, zoals door de man is verzocht. De rechtbank gaat er van uit dat partijen zich zullen houden aan de beslissing en niet is gebleken van andersoortige signalen. Het verzoek om een dwangsom wordt daarom afgewezen.
Voorlopige vakantieregeling en bijzondere dagen
Beide partijen hebben een verzoek gedaan ten aanzien van de vakanties en overige bijzondere dagen. Het is partijen niet gelukt om hierover op de zitting overeenstemming te bereiken, zodat de rechtbank een beslissing zal nemen. Daarbij geldt als uitgangspunt – evenals ten aanzien van de reguliere voorlopige zorgregeling – dat [de minderjarige] evenveel tijd doorbrengt met de man als met de vrouw.
De rechtbank komt daarom tot de volgende (voorlopige) verdeling van de vakanties:
meivakantie 2025: de reguliere zorgregeling loopt door;
zomervakantie 2025: [de minderjarige] verblijft eerst twee weken bij elke ouder en daarna nog één week bij elke ouder (aldus in de verhouding 2-2-1-1);
herfstvakantie 2025: [de minderjarige] verblijft bij de moeder;
kerstvakantie 2025: de reguliere zorgregeling loopt door;
voorjaarsvakantie 2026: [de minderjarige] verblijft bij de vader.
De rechtbank stelt vast dat partijen ten aanzien van Vader- en Moederdag overeenstemming hebben dat [de minderjarige] die dag bij de betreffende ouder zal zijn vanaf 10.00 uur (voor zover dat conform de reguliere zorgregeling nog niet het geval is). Zij zijn het echter niet eens over het terugbrengtijdstip. De rechtbank zal vaststellen dat [de minderjarige] die dag om 19.00 uur (na het avondeten) wordt teruggebracht, zodat hij de mogelijkheid heeft om met de betreffende ouder te eten. Voor wat betreft de verjaardag van [de minderjarige] zal de rechtbank vaststellen dat [de minderjarige] die dag bij de ouder is bij wie hij conform de reguliere zorgregeling verblijft. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg afspraken zullen maken over contact met de andere ouder op die dag.
Toevertrouwing [de minderjarige]
De vrouw heeft verzocht om [de minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. Omdat in het voorgaande is vastgesteld dat de zorg over [de minderjarige] gelijkelijk over partijen zal worden verdeeld en niet is gebleken van een (spoedeisend) belang om [de minderjarige] aan de vrouw toe te vertrouwen, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van deze verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat de man de ene week en de vrouw de andere week bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] , zijnde de week waarin de man respectievelijk de vrouw de zorg heeft voor de kinderen, waarbij wordt gewisseld op vrijdag na schooltijd en beveelt mitsdien dat de man respectievelijk de vrouw die week de woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
voorlopig de ene week bij de man zal verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdagmiddag na schooltijd en waarbij gedurende de week twee keer een (beeld)belmoment plaatsvindt met de ouder waar [de minderjarige] op dat moment niet verblijft;
bepaalt een voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij [de minderjarige] :
in de meivakantie 2025: conform de reguliere zorgregeling;
in de zomervakantie 2025: eerst twee weken bij elke ouder verblijft en vervolgens nog één week bij elke ouder (aldus in de verhouding 2-2-1-1);
in de herfstvakantie 2025: bij de moeder verblijft;
in de kerstvakantie 2025: conform de reguliere zorgregeling;
in de voorjaarsvakantie 2026: bij de vader verblijft;
op Vader-/Moederdag: bij de desbetreffende ouder verblijft van 10.00 uur tot 19.00 uur (na het avondeten);
op zijn verjaardag: bij de ouder is bij wie hij conform de reguliere zorgregeling verblijft;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 maart 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 381,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 april 2025.
Beoordeling
De vrouw heeft verzocht om de datum van indiening van haar zelfstandige verzoeken als ingangsdatum te nemen. Door de man is hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank de vrouw zal volgen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] € 880,- per maand bedraagt.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het er ook over eens dat de draagkracht van de vrouw € 270,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vrouw de rechthebbende is van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
Draagkracht man
Partijen hebben overeenstemming over een netto besteedbaar inkomen (NBI) aan de zijde van de man van € 4.185,- per maand. Zij zijn het echter niet eens over de draagkracht van de man. Hoewel deze op basis van de forfaitaire berekening in beginsel € 1.162,- per maand bedraagt, stelt de man dat rekening moet worden gehouden met extra lasten. De man heeft een lening moeten aangaan bij zijn moeder voor extra kosten die hij op dit moment maakt. Dit betreffen onder andere extra reiskosten, kosten vanwege het buitenhuis plaatsvinden van de omgang en een bijdrage aan kost en inwoning aan zijn moeder. De schuld is daarom niet verwijtbaar of vermijdbaar. De lening moet worden afgelost bij de overname van de woning, maar de man moet hiervoor nu al een maandelijks bedrag reserveren. De man heeft daarnaast de ziektekosten voor de vrouw voor het komende jaar voldaan via zijn werkgever. Dit is een bedrag van € 230,- per maand, zodat ook hier rekening mee moet worden gehouden.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man aangegane schuld. Zoals ook door de vrouw is benoemd, is op de zitting gebleken dat partijen over spaargeld beschikken en dat de man de aangegane lening nog niet heeft verbruikt. Daar komt bij dat met de vast te stellen voorlopige zorgregeling de extra kosten voor in ieder geval de omgangsmomenten buitenshuis komen te vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop sprake van een vermijdbare en verwijtbare schuld. Tot slot geldt dat de man op dit moment nog niet hoeft af te lossen op de schuld, zodat ook dit aanleiding vormt om de lening buiten beschouwing te laten. De rechtbank zal wel rekening houden met de door de man betaalde zorgverzekering door de vrouw, omdat hiermee namens de vrouw op de zitting mee is ingestemd.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,- + € 230,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.185 – (1.256 + 1.310 + 230)] = € 972,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.242,- per maand (€ 270 + € 972). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 972 / 1.272 x 880 = € 689,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 270 / 1.272 x 880 = € 191,-
samen € 880,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 689,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 191,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat partijen beiden de helft van de tijd de zorg voor [de minderjarige] dragen, zal de rechtbank de maximale zorgkorting van 35% toepassen. De zorgkorting bedraagt dan € 308,- per maand. Omdat de zorgkorting ten gunste van de man wordt toegepast, geldt dat de vrouw gehouden is om alle verblijfsoverstijgende lasten voor [de minderjarige] te voldoen.
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 381,- per maand (€ 689 -/- € 308). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Partneralimentatie
In het kader van de partneralimentatie is door de man aangeboden ingeval van een birdnesting-constructie alle eigenaarslasten van de echtelijke woning voor zijn rekening te nemen. De vrouw heeft hiermee ingestemd op de zitting en heeft aangegeven in dat geval geen aanspraak meer te maken op partneralimentatie De rechtbank komt daarom niet toe aan een berekening van de partneralimentatie. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat de eigenaarslasten van de woning gedurende de echtscheidingsprocedure weliswaar door de man zullen worden voldaan, maar dat partijen alsnog gehouden zijn om beiden bij te dragen aan de gebruikerslasten van de echtelijke woning.