Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:13110
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
964 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30293
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroepsgronden ten aanzien van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en het zicht op uitzetting op zitting heeft ingetrokken.
3. Eiser voert aan dat verweerder heeft moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is op 9 juli 2025 door een medewerker in het detentiecentrum mishandeld. Hij heeft hiervan melding gemaakt bij de directie. De directie heeft de gemachtigde van eiser op 15 juli 2025 per mail geïnformeerd hierover. De directie is, na een intern onderzoek te hebben verricht, tot de conclusie gekomen dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan. Eiser zal nog aangifte doen en bestrijdt het standpunt van de directie.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, welke niet zijn betwist, feitelijk juist zijn en voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hoewel de rechtbank het betreurt dat eiser mishandeld zou zijn, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat dit door toedoen van een medewerker van het detentiecentrum is gebeurd. Daarnaast is uit intern onderzoek van het detentiecentrum gebleken dat geen onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Indien eiser het niet eens is met het handelen van medewerkers in het detentiecentrum, dan kan hij hiertegen aangifte doen en/of op grond van de Pbw een klacht hierover indienen. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Penitentiaire beginselenwet.