Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:13040
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38400
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
Overwegingen
1. Eiser voert onder meer aan dat het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd omdat hij ten tijde van zijn staandehouding niet onrechtmatig in Nederland verbleef. Hij was immers in het bezit van een geldig, door de autoriteiten van Spanje afgegeven Schengenvisum. Om dit standpunt te onderbouwen heeft eiser een kopie van zijn paspoort overgelegd.
1.1.
In het bestreden besluit is vermeld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdend reisdocument of enig ander document waaruit de identiteit dan wel de verblijfsrechtelijke status kan blijken, eiser van zijn onrechtmatig verblijf geen melding heeft gemaakt bij de korpschef en hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.2.
Uit de door eiser overgelegde kopie van zijn paspoort blijkt dat het paspoort geldig is tot 8 oktober 2029. Daarnaast bevat het paspoort een door de autoriteiten van Spanje afgegeven Schengenvisum met een geldigheidsduur van 15 juli 2024 tot 12 oktober 2024. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 4 oktober 2024 blijkt dat verweerder op 30 september 2024 onderzoek in de systemen en registers heeft verricht en dat dit onderzoek een positieve identificatie heeft opgeleverd in het Visum Informatiesysteem van Spanje. Gelet op deze met elkaar overeenstemmende informatie acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ten tijde van zijn ophouding op 30 september 2024 over een geldig Schengenvisum beschikte. De geldigheidsduur van het visum was op dat moment nog niet verstreken. Nu het terugkeerbesluit en de andere dossierstukken geen concrete aanknopingspunten bevatten waaruit volgt dat dit visum niet (meer) geldig was en verweerder ook geen verweer heeft gevoerd tegen eisers stellingen in beroep, acht de rechtbank verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft, ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
2. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgrond behoeft geen bespreking meer.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.