Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:12916
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,150 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1064
Zaaknummer: C/09/680149
Datum beschikking: 27 maart 2025
Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 11 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
sinds 28 december 2022 opgenomen in de registratie niet-ingezetenen,
feitelijk verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Jagesar te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van de vader van 12 maart 2025, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 13 maart 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende kinderen:
[jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ;
[jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 te [geboorteplaats]
;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2014 te [geboorteplaats] ;
- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2024 is Lisa meerderjarig
verklaard, zodat alleen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog minderjarig zijn.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot het bij wijze van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) treffen van een regeling inzake de omgang tussen de vader en de minderjarigen voor de duur van de bodemprocedure, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zullen verblijven:
in de eerste maand: iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur;
in de hierop volgende maand: iedere zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
in de hierop volgende maand: eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot
zondag 12.00 uur;
in de hierop volgende maand: eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur;
in de hierop volgende periode: eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag naar school;
althans een door de rechtbank te bepalen voorlopige omgangsregeling, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 (ECLI:NL:2014:3533) geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures.
Vereist voor de ontvankelijkheid van de vader is dat hij een belang heeft bij zijn verzoek. Nu de vader heeft gesteld dat hij de kinderen geruime periode niet heeft gezien voldoet hij aan deze voorwaarde. Ook wordt voldaan aan de in het tweede lid van artikel 223 Rv gestelde voorwaarde dat de voorziening samenhangt met de verzoeken in de bodemprocedure nu de vader eveneens in de bodemprocedure een verzoek heeft gedaan tot vaststelling van een omgangsregeling.
Beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is het volgende gebleken. Sinds het uiteengaan van partijen in 2015 is tussen de ouders sprake van een zeer moeizame verhouding en een belaste voorgeschiedenis. Dit heeft ertoe geleid dat de twee oudste kinderen van partijen vrijwel geen contact hebben met de moeder. De twee jongste kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wonen bij de moeder en zij hebben juist al langere tijd geen contact met de vader. De vader wil nu graag dat de omgang weer wordt opgestart, in het bijzonder omdat hij zich ernstige zorgen maakt over de opvoedsituatie bij de moeder. Deze zorgen zien onder andere op middelengebruik door de moeder en haar partner, huiselijk geweld en een gebrek aan basale zorg, aldus de vader. De moeder stelt juist dat het de vader is die voor onrust en problematiek bij de kinderen zorgt. De vader uitte zich gedurende relatie met regelmaat fysiek naar de moeder en de kinderen. Aan de vader is daarbij ook tweemaal een contact- en locatieverbod opgelegd. Ook nu is volgens de moeder nog regelmatig sprake van bedreigingen en zij is hierdoor erg angstig voor de vader. Juist doordat er in de afgelopen jaren geen contact was tussen de vader en de kinderen is er meer rust gekomen. De moeder vindt het daarom niet in het belang van de kinderen om nu omgang tussen de vader en de kinderen plaats te laten vinden.
De rechtbank is – evenals de Raad – van oordeel dat sprake is van een complexe en zorgelijke situatie. Zij vindt het daarom noodzakelijk dat op korte termijn een onderzoek plaatsvindt door de Raad. Dit onderzoek dient zowel te zien op de vraag of ruimte bestaat voor de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] , en wat daarvoor eventueel nodig is, maar ook op de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De rechtbank vraagt de Raad daarom om over deze onderwerpen rapport en advies uit te brengen in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/680147 / FA RK 25-1062 op de hierna vermelde wijze.
Op de zitting is gesproken over de vraag of gedurende de loop van het raadsonderzoek gestart moet worden met begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank is van oordeel dat daarvoor op dit moment geen ruimte bestaat, zoals ook door de moeder is betoogd. Partijen hebben ieder een volstrekt andere lezing over het verleden en zij maken ernstige verwijten naar elkaar. Het is voor de rechtbank daarom nu niet te beoordelen of (begeleide) omgang in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Het is daarnaast ook onduidelijk hoe zij hier zelf over denken en welke problematiek eventueel bij hen speelt. Dit, tezamen met het complexe gezinssysteem en de zorgen over de opvoedsituatie, maakt dat de rechtbank eerst de uitkomst van het onderzoek door de Raad wil afwachten voordat eventueel (begeleide) omgang wordt opgestart.
Dictum
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/680147 / FA RK 25-1062 te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, een zitting zal plaatsvinden in voornoemde bodemprocedure, in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de zitting in de bodemprocedure ieder via de eigen advocaat op te roepen;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 maart 2025.