Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:12914
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,822 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-905
Zaaknummer: C/09/679843
Datum beschikking: 24 maart 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek.
Op 5 maart 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 1991 te [plaats 1] .
Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 2] aan het adres [adres] , met inbegrip van de inboedel en met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.076,- per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen het verzochte uitsluitend gebruik van de woning en de partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig te bepalen dat:
de goederen, zoals opgenomen in de door de vrouw opgestelde lijst voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw worden overhandigd;
de man gehouden is om een sleutel die past op de voordeur van de woning aan de vrouw te overhandigen.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Door de man is verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning van partijen. Hoewel de vrouw inmiddels andere woonruimte heeft gevonden, vreest de man dat de vrouw de woning zal blijven binnengaan, onder meer om ongevraagd inboedelgoederen mee te nemen. De spanningen tussen partijen lopen gedurende de echtscheidingsprocedure steeds meer op. De man ervaart hierdoor klachten van stress en depressiviteit.
De vrouw betwist de spanningen tussen partijen niet. Zij vreest echter dat de toewijzing van het uitsluitend gebruik aan de man ertoe zal leiden dat de man de echtscheidingsprocedure zal rekken om zo lang mogelijk in de woning te kunnen blijven wonen, terwijl het duidelijk is dat deze zal moeten worden verkocht. Daarnaast vreest zij dat de man de woning zal verwaarlozen. Zij wil daarom een sleutel van de woning in haar bezit hebben en toegang tot de woning behouden.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de komende periode in de echtelijke woning zal verblijven. Desondanks blijven de spanningen tussen partijen oplopen, onder meer vanwege de verdeling van de inboedel. Om aan beide partijen zoveel mogelijk duidelijkheid en rust te geven, zal de rechtbank het uitsluitend gebruik van de woning toekennen aan de man. Het belang dat de vrouw nastreeft – namelijk het zo spoedig mogelijk verkopen van de echtelijke woning – wordt niet bereikt door het afwijzen van het verzoek van de man. Immers, partijen kunnen op dit moment enkel in samenspraak overgaan tot verkoop van de woning, ongeacht de vraag wie het uitsluitend gebruik heeft of in de woning verblijft.
De toewijzing van het uitsluitend gebruik van de woning aan de man leidt ertoe dat hij ook uitsluitend gerechtigd is tot de in die woning aanwezige inboedelgoederen, voor zover bij rechterlijke beschikking niet het dagelijks gebruik aan de andere partij is toegewezen. Gebleken is dat de vrouw de goederen die zij voor haar dagelijks gebruik nodig heeft, al in haar bezit heeft. Daarbuiten biedt artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen grondslag voor de afgifte van inboedelgoederen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om afgifte van de inboedelgoederen daarom afwijzen. Voor zover de vrouw nog heeft verzocht om afgifte van een huissleutel van de echtelijke woning, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen, omdat ook dit verzoek niet behoort tot een van de in artikel 822 Rv opgesomde voorlopige voorzieningen.
Voorlopige partneralimentatie
De man verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de man, vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen.
Voor de berekening van het NBGI gaat de rechtbank aan de zijde van de man uit van een inkomen over 2024 van bruto € 49.916,-, opgebouwd uit loon (€ 17.645,-), een ziektewetuitkering (€ 27.945,-) en een pensioenuitkering (€ 4.326,-). Dat leidt tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.996,- per maand.
Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van haar inkomen uit loondienst van € 92.839,- over 2024 zoals dat volgt uit haar jaaropgave. Anders dan door de man gesteld zal de rechtbank niet de (hogere) cumulatieven op de loonstrook van december 2024 als uitgangspunt nemen, omdat hierin mogelijk extra uitkeringen over afwijkende periodes zijn opgeteld. Het voorgaande leidt tot een NBI aan de zijde van de vrouw van € 4.926,- per maand.
Het NBGI bedraagt dan € 7.922,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.753,- netto per maand (60% van € 7.922,- per maand).
Behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de man niet voldoende inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven. De vrouw betwist dat de man behoeftig is. Zij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de man een verdiencapaciteit heeft om in de hiervoor berekende (aanvullende) behoefte te voorzien.
Echter, zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de man bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de man één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de man van € 4.753,- per maand moet zijn netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht. De man ontvangt een ziektewetuitkering van € 705,- bruto per week, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een pensioenuitkering van € 483,- bruto per maand. Het NBI van de man bedraagt dan € 2.556,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 2.197,- netto per maand. Dat is € 4.320,- bruto per maand.
De rechtbank merkt daarbij het volgende op. In het navolgende zal nader worden besproken dat de vrouw de bereidheid heeft uitgesproken om de maandelijkse betaling van de volledige hypotheekrente van de woning op zich te nemen. Daarbij zal blijken dat de draagkracht van de vrouw de beperkende factor is voor het bepalen van de partneralimentatie. Dat leidt ertoe dat de rechtbank voorbij zal gaan aan de vraag wat voor gevolgen dit heeft voor de aanvullende behoefte van de man, maar enkel de draagkracht van de vrouw zal beoordelen.
Draagkracht
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen € 7.056,- bruto per maand, te vermeerderen met het individueel keuzebudget (IKB). Anders dan door de man gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met de inhouding die op het inkomen van de vrouw plaatsvindt als gevolg van de PAS-regeling. Ten eerste gaat het om een beperkte daling van het inkomen van 5%. Daarnaast is door de vrouw op de zitting als toelichting voor haar gebruik van de PAS-regeling gegeven dat zij al voor aanvang van de echtscheidingsprocedure voornemens was om de PAS-regeling aan te vragen, omdat zij graag één dag per week op het kleinkind van partijen wil passen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het – gelet op de leeftijd van de vrouw en insteek van de PAS-regeling – niet verwijtbaar is om minder te gaan werken.
De rechtbank houdt verder rekening met een pensioenpremie van € 589,- per maand, een premie IPWB van € 14,- per maand en een werknemerspremie WGA van € 2,- per maand. Uitgaande van bovenstaande gegevens en rekening houdend met de relevante heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.884,- per maand.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 2] aan het adres [adres] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 1.055,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 maart 2025.