Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:12862
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,370 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13406
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K. Kanters).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Met instemming van partijen heeft het onderzoek ter zitting in het Engels plaatsgevonden.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Portugal een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, eerste of derde lid, van
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
de Dublinverordening. Portugal heeft dit verzoek aanvaard op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.
5. Eisers betoogt dat het besluit gebrekkig tot stand is gekomen, omdat hij tijdens zijn gehoor onvoldoende zijn bezwaren tegen de overdracht heeft kunnen aangeven en er twee voornemens zijn uitgebracht.
6. Dit betoog slaagt niet. Op pagina 2 en 3 van het aanvullend gehoor blijkt dat de minister eiser heeft gevraagd naar zijn bezwaren tegen een overdracht naar Portugal. Eiser heeft toen gezegd dat hij niet naar Brazilië wil, maar dat hij naar Portugal zal gaan als hij terug moet. Hij heeft uiteindelijk ook gezegd dat hij begrijpt waar het over ging.
Ook het gegeven dat er twee voornemens zijn uitgebracht, maakt niet dat de besluitvorming dermate onzorgvuldig is geweest dat dit gevolgen moet hebben voor het bestreden besluit. Eiser heeft zijn eerste en tweede zienswijze ingediend tegen het relevante, tweede voornemen, dat is uitgebracht na het aanvullende gehoor. Hoewel het duidelijker was geweest als het eerste voornemen expliciet met het tweede was ingetrokken, is eiser niet benadeeld nu hem duidelijk was waartegen hij zijn zienswijze moest richten. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister nader onderzoek moeten doen naar welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
7. Eiser betoogt dat de minister niet voldoende heeft onderzocht of de Portugese autoriteiten zijn Portugese verblijfsvergunning hebben ingetrokken. Eiser heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij langer dan zes maanden buiten Portugal heeft verbleven. Hij denkt dat dit zou kunnen leiden tot de intrekking van een verblijfsvergunning. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de status van de Portugese verblijfsvergunning en niet enkel uit mag gaan van de Eurodac-hit.
8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de Portugese autoriteiten op 19 maart 2025 door middel van een emailbericht het overnameverzoek in het kader van de Dublinverordening hebben geaccepteerd op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit dit bericht blijkt dat de Portugese autoriteiten nadrukkelijk de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op zich nemen op de grond dat eiser in Portugal een geldige verblijfstitel heeft. Eiser heeft zijn stelling dat de Portugese autoriteiten mogelijk zijn verblijfsvergunning hebben ingetrokken niet met enig bewijs onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Gelet hierop en op de expliciete erkenning vanuit Portugal geen reden voor de minister om nader onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van eiser in Portugal.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
9. Eiser voert aan dat in Portugal de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd zijn met artikel 4 van het EU-Handvest. Het Jawo-arrest2 vereist een concrete beoordeling van de individuele situatie van de asielzoeker in het verantwoordelijke land. Eiser heeft gewezen op de aangescherpte asielwetgeving, de woningnood en de toenemende xenofobie in Portugal. In dit kader heeft eiser verwezen naar drie nieuwsartikelen.3 De minister had niet mogen volstaan met
2 ECLI:EU:C:2019:218.
3 https://www.theportugalnews.com/news/2024-04-10/new-governmernt-admits-to-immigration-
algemene overwegingen over de situatie in Portugal maar had aan de hand van de persoonlijke omstandigheden van eiser moeten beoordelen of eiser een significant risico op een onmenselijke of een vernederende behandeling loopt.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Er nog van afgezien of eiser afhankelijk zal zijn van opvang omdat hij een geldige verblijfstitel heeft om te wonen en te werken in Portugal, mag de minister in het algemeen ten opzichte van Portugal uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is daar niet in geslaagd.
9.2.
De door eiser in de zienswijze aangedragen nieuwsartikelen zien op de omstandigheden voor asielzoekers in Portugal en niet concreet op de omstandigheden voor Dublinterugkeerders. Weliswaar spreken de nieuwsartikelen over tekortkomingen in het Portugese asielsysteem, maar is dit naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en dat eiser door de overdracht aan Portugal buiten zij wil terecht kan komen in en situatie van zeer vergaande materiële deprivatie. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de minister zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft betrokken. Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd waarom hij niet naar Portugal kan worden overgedragen. Eisers gemachtigde heeft hierna een aanvullende correctie ingediend waaruit blijkt dat eiser liever niet terug gaat naar Portugal maar dat eiser in Nederland wil blijven. Dat heeft hij ter zitting herhaald. De minister heeft deze omstandigheid reeds in het voornemen meegewogen. Er zijn geen andere persoonlijke omstandigheden ingebracht, waar de minister dieper op had moeten ingaan. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende meegenomen in zijn besluitvorming en heeft mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat eiser geen begin van bewijs heeft geleverd dat Portugal de relevante internationale verplichtingen niet nakomt. Van een motiveringsgebrek is gezien het vorenstaande geen sprake. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Dictum
[internetsite]
, ( [internetsite] ) en [internetsite] .
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.