Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:12856
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,934 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27859
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
[v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 24 juni 2025 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving geldt als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 1 juli 2025.
Overwegingen
Inleiding
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meermalen eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2025 (in de zaak NL25.15680) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 10 april 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de voortduring van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek rechtmatig is. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 10 april 2025 tot 1 juli 2025.
Zicht op uitzetting
2. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India inmiddels ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Indiase autoriteiten nog altijd geen laissez-passer (lp) hebben afgegeven, terwijl de lp-aanvraag ruim vijf maanden geleden is ingediend en eiser ruim vier maanden geleden is gepresenteerd.
2.1.
Gelet op de onweersproken mededelingen in de maatregel van bewaring dat is gebleken dat India medewerking verleent aan gedwongen terugkeer en dat niet is gebleken dat India geen reisdocumenten verstrekt voor gedwongen terugkeer, gaat de rechtbank ervan uit dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar India bestaat.
2.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 31 januari 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Indiase autoriteiten. Dat na vijf maanden geen (positieve) reactie van de Indiase autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, gelet op wat er onder 2.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. Met een lp-traject bij de Indiase autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid, te meer als een vreemdeling, zoals in dit geval eiser, al langere tijd weg is uit zijn land van herkomst en geen enkel document betreffende zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Gebleken is dat eiser dat in de te toetsen periode onvoldoende heeft gedaan. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 28 april 2025 en 3 juni 2025 volgt dat eiser geen inspanningen heeft verricht om identificerende documenten te verkrijgen of om op een andere wijze zijn vertrek te bespoedigen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
3. Eiser betoogt verder dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder slechts één keer per maand schriftelijk rappelleert bij de Indiase autoriteiten en geen speciale aandacht bij de Indiase autoriteiten heeft gevraagd voor de zaak van eiser.
3.1.
Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de toetsen periode op 10 april 2025, 1 mei 2025, 21 mei 2025 en 12 juni 2025 heeft gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten in verband met de lp-aanvraag en op 28 april 2025 en 3 juni 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Dit betreffen daadwerkelijke uitzettingshandelingen.
3.2.
Door om de (ongeveer) drie weken te rappelleren bij de Indiase autoriteiten en daarnaast om de (ongeveer) vijf weken een vertrekgesprek met eiser te voeren heeft verweerder, mede in aanmerking genomen dat hij grotendeels afhankelijk is van de Indiase autoriteiten en van eiser onvoldoende medewerking krijgt, in de te toetsen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar India. Mede gelet op eisers gebrek aan medewerking, bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode frequenter of op een andere wijze had moeten rappelleren bij de Indiase autoriteiten dan hij heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser betoogt tot slot dat verweerder een lichter middel (zoals een meldplicht) had moeten toepassen. Daartoe voert eiser aan dat hij inmiddels lange tijd in bewaring zit en dat dit negatieve geestelijke (geestelijke) gevolgen voor hem heeft.
4.1.
In de uitspraak van 11 februari 2025 (NL25.3802), op eisers eerste bewaringsberoep, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het risico op onttrekking aan het toezicht aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser de door hem gestelde negatieve (geestelijke) gevolgen van de bewaring niet heeft onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.
Conclusie
5. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.