Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:12842
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,076 tokens
Inleiding
REchtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3468
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoeker] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
tegen
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. G.A.A.M. Zwagemakers).
Inleiding
1.1.
Verweerder heeft met het (primaire) bestreden besluit van 18 maart 2025 verzoeker
een gebiedsverbod opgelegd voor een periode van drie maanden, te weten van 19 maart 2025 09:00 uur tot en met 19 juni 2025 09:00 uur voor het gebied Centrum in Den Haag, zoals is afgebakend op de bij dit bevel gevoegde plattegrond.
1.2.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft op 16 mei 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Met het besluit van 22 mei 2025 heeft verweerder het bestreden besluit gedeeltelijk gewijzigd en voor het overige gehandhaafd.
1.4.
Verzoeker heeft gereageerd op deze wijziging.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. Verzoeker heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Verzoeker wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht te betalen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3.1.
In de aanvraag gebiedsverbod (de rapportage) van de politie Eenheid den Haag van 17 februari 2025 is vermeld dat verzoeker, die de Poolse nationaliteit heeft, een aantal jaren geleden naar Nederland is gekomen. Hij is zijn werk en huis kwijtgeraakt. Overdag zou hij verblijven bij het Leger des Heils. In de rapportage is een overzicht opgenomen van overlast in het centrumgebied van Den Haag waarbij verzoeker betrokken is geweest. In de periode 16 september 2024 tot en met 7 februari 2025 ging het om 12 registraties in 2024 en 11 registraties in 2025. De overlast van verzoeker zag op het in gezelschap van andere daklozen slapen op diverse plaatsen waar dit niet was toegestaan, waarbij de betrokkenen ook overlast veroorzaakten met gebruik van alcohol, het doen van hun behoefte, het achterlaten van afval en er was geluidsoverlast door harde muziek. In een parkeergarage hadden verzoeker en andere daklozen meerdere malen slaapplekken ingericht en kleding uitgestald, waardoor parkeerplaatsen bezet werden gehouden en ander ongemak werd veroorzaakt. Voorts gaat het om het zodanig rondhangen op plaatsen dat winkelend publiek dit als intimiderend heeft ervaren. Ondanks waarschuwingen, bekeuringen en verwijzing naar opvanglocaties blijven betrokkenen en verzoeker terugkomen en overlast veroorzaken.
3.2.
De politie heeft het voornemen van verweerder van 5 maart 2025 om een gebiedsverbod op te leggen op 7 maart 2025 uitgereikt aan verzoeker. Verzoeker heeft geen zienswijze ingediend.
3.3.
Verweerder heeft met het bestreden besluit, dat is uitgereikt op 24 maart 2025, het gebiedsverbod opgelegd, omdat verzoeker volgens verweerder herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord in het centrumgebied van Den Haag. Verweerder heeft dit afgeleid uit de rapportage. Verweerder stelt dat aan verzoeker diverse keren hulp is aangeboden. Verzoeker is meerdere keren door de politie verwezen naar een plaats waar hij onderdak en eten kan krijgen. De politie heeft hem ook geïnformeerd over Stichting Barka, die verzoeker op meerdere manieren hulp heeft aangeboden in de vorm van begeleiding bij een re-integratietraject naar Polen. Verzoeker weigert hulp te aanvaarden en lijkt zorg mijdend.
3.4.
Verzoeker kan zich niet vinden in het gebiedsverbod.
3.5.
Met het besluit van 22 mei 2025 is het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat in het aangewezen gebied een looproute wordt aangebracht die verzoeker mag gebruiken om naar de opvang voor dak- en thuislozen (Hier en Nu) van het Leger des Heils aan de [adres 1] te Den Haag te gaan, zoals is aangegeven op de bijgevoegde aangepaste plattegrond. Het bestreden besluit wordt voor het overige gehandhaafd.
3.6.
Verzoeker heeft op 22 mei 2025 te kennen gegeven dat hij het verzoek om een voorlopige voorziening handhaaft, omdat met de besluitvorming sprake is van een ernstige belemmering van zijn bewegingsvrijheid. Bij brief van 27 mei 2025 heeft hij nader toegelicht van welke voorzieningen hij gebruik maakt.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Bevoegdheid van verweerder
4. Verzoeker stelt dat bij het uitreiken van het voornemen ten onrechte geen tolk Pools is ingeschakeld, hij is zelf de Nederlandse taal niet machtig. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat uit navraag bij de politie is gebleken dat het voornemen en het bestreden besluit tijdens de uitreiking in de Engelse taal aan verzoeker zijn toegelicht. Verzoeker beheerste de Engelse taal en heeft in het Engels antwoord gegeven. Hij begreep de toelichting en hij heeft ook gevraagd hoe en waar hij bezwaar kon maken. Verzoeker heeft dit niet betwist. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan deze lezing van de politie.
5. Verweerder heeft de bevoegdheid om aan een persoon die de openbare orde ernstig heeft verstoord of herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord een bevel te geven om zich niet te bevinden in een of meer bepaalde delen van de gemeente. Verweerder mag dat bevel alleen geven bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde. Verweerder mag het bevel voor maximaal drie maanden geven, maar hij kan het bevel wel verlengen. Een bevel om zich niet te bevinden in een of meer bepaalde delen van de gemeente is, kort gezegd, een gebiedsverbod. Voor het opleggen van een gebiedsverbod is volgens rechtspraak niet vereist dat voor de gedragingen die aan het verbod ten grondslag liggen een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter is uitgesproken. Wél moet verweerder aannemelijk hebben gemaakt dat de overlast gevende gedragingen hebben plaatsgevonden.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de in de rapportage opgenomen lijst met incidenten die als overlast gevend worden beschouwd niet heeft betwist. Hieruit blijkt dat sprake is van herhaaldelijk overlast gevend en soms strafbaar gedrag, zoals onder meer het slapen op de openbare weg en het achterlaten van afval in het centrum van Den Haag. Waarschuwingen, bekeuringen en het aanbod van hulpverlening hebben er niet toe geleid dat verzoeker de oorzaak van zijn problemen aanpakt. Gelet op de aan de orde zijnde hoeveelheid incidenten en het karakter daarvan, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat verzoeker herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en dat de ernstige vrees bestond voor verdere verstoring van de openbare orde. Verweerder heeft zich dan ook bevoegd kunnen achten om een gebiedsverbod op te leggen.
Evenredigheid
6. Verweerder heeft bij het gebruiken van zijn bevoegdheid tot opleggen van een gebiedsverbod beoordelings- en beleidsruimte. Dat betekent dat verweerder een belangenafweging moet maken om te beslissen of hij van die bevoegdheid gebruik maakt en op welke wijze hij van de bevoegdheid gebruik maakt. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
6.1.
Verzoeker heeft gesteld dat onduidelijk is welke beleidsregels verweerder hanteert bij het opleggen van een gebiedsverbod. De Beleidsregel is online niet terug te vinden, terwijl beleid openbaar en toegankelijk moet zijn. Verzoeker meent dat volstaan had kunnen worden met een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing, een gebiedsverbod van kortere duur of een gebiedsverbod met uitzonderingen.
Verweerder heeft op zitting meegedeeld dat het beleid destijds door de burgemeester is ondertekend en dat dit online moet zijn terug te vinden. Verweerder kan niet aangeven waar de Beleidsregel online is terug te vinden.
6.2.
Verweerder heeft de Beleidsregel overgelegd. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoeker dat de Beleidsregel online niet of niet eenvoudig te vinden is. Dit zou erop kunnen duiden dat geen sprake is van gepubliceerd beleid. Indien dit het geval is, dan betreft het geen beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er zou sprake kunnen zijn van een interne, al dan niet bestendige, gedragslijn. Dan dient verweerder per concreet geval te motiveren waarom het gekozen gebiedsverbod (in deze vorm) is opgelegd.
6.3.
Maatregelen zoals hier aan de orde, zijn ingrijpend van aard. Toepassing van de bevoegdheden maakt inbreuk op het recht op bewegingsvrijheid en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit, zoals gewijzigd met het besluit van 22 mei 2025, gedeeltelijk wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Verweerder dient in het aangewezen gebied per direct een looproute aan te brengen via welke verzoeker naar [instelling] kan gaan. Het verzoek wordt voor het overige afgewezen.
10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 18 maart 2025, zoals gewijzigd met het besluit van 22 mei 2025, gedeeltelijk wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Verweerder dient per direct in het aangewezen gebied een looproute aan te brengen via welke verzoeker van en naar [instelling] op de [adres 2] te Den Haag kan gaan om daar gebruik te maken van bepaalde voorzieningen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is bekendgemaakt aan partijen op 11 juni 2025.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, en het zesde lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en de Beleidsregel Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast gemeente Den Haag van
21 maart 2011 (de Beleidsregel).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1418, r.o. 1. en r.o. 5.1.1..
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9200, r.o. 6.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2021:1418, r.o. 7.