Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:12776
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13338
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
[v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
Overwegingen
1. Verweerder heeft eiser verplicht om binnen een termijn van 4 weken Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten, en terug te keren naar Albanië. In het terugkeerbesluit is verder vermeld dat eiser, van Albanese nationaliteit, niet, of niet langer, rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Eiser is namelijk aangehouden op grond van de Opiumwet.
2. Eiser voert onder meer aan dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Volgens eiser gaat er geen actuele en ernstige dreiging van hem uit. Daarnaast is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat er bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met de ernst van het strafbare feit waarvan eiser wordt verdacht.
2.1.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf in Nederland had, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019 (ECLI:EU:C:2019:1071, het arrest E.P.) en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2067) en van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2355) volgt dat een verdenking van het plegen van een strafbaar feit in beginsel voldoende kan zijn voor de vaststelling dat het verblijf van een niet-visumplichtige onderdaan van een derde land in de vrije termijn ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening nr. 2016/399 (de Schengengrenscode) is geëindigd. Niet is vereist dat de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Wel moet verweerder rekening houden met het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het strafbare feit waarvan de vreemdeling wordt verdacht, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, ernstig genoeg moet zijn om te rechtvaardigen dat het verblijf van die vreemdeling op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd. Indien de vreemdeling niet is veroordeeld, kan verweerder alleen stellen dat de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde indien er met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan de vreemdeling kan worden verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
2.2.
Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is dus een niet-visumplichtige vreemdeling voor wie in beginsel een vrije termijn geldt. Ter motivering van verweerders standpunt dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft vanwege een gevaar voor de openbare orde, is in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser is aangehouden op grond van de Opiumwet. Hoewel eiser terecht opmerkt dat het terugkeerbesluit zelf geen nadere informatie bevat over het strafbare feit en het strafrechtelijk traject dat daarop is gevolgd, blijkt uit het door verweerder overgelegde proces-verbaal van aanhouding van 25 februari 2025 dat eiser die dag op heterdaad is aangehouden als verdachte van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep en dat hij in verband daarmee is overgebracht ter voorgeleiding aan een hulpofficier van justitie. Uit een proces-verbaal van bevindingen van diezelfde datum volgt dat in het pand waar eiser eerder die dag was aangetroffen op hetzelfde moment door de politie een werkende hennepkwekerij werd aangetroffen. Uit het zich eveneens in het dossier bevindende formulier M122 volgt dat eiser op 25 februari 2025 in strafrechtelijke detentie genomen is. Die detentie is geëindigd op 13 maart 2025. Uit de hiervoor genoemde informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat er ten tijde van het terugkeerbesluit sprake was van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan eiser kon worden verdacht van het plegen van een misdrijf. Daarbij gaat het om een strafbaar feit dat naar aard en strafmaat voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat het verblijf van eiser onmiddellijk wordt beëindigd. Verweerder heeft gelet daarop terecht het standpunt ingenomen dat eiser wegens een bedreiging voor de openbare orde geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.