Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:12639
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,780 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.49273 (beroep) en NL24.49274 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: drs. F. Gieskes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 december 2024 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk 1] als tolk en mr. F. Gieskes als gemachtigde van verweerder deelgenomen, in aanwezigheid van [naam 1] van LGBT Asylum Support.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 25 februari 2025 geschorst om partijen de gelegenheid te bieden een standpunt in te nemen over het door eiser op 24 februari 2025 ingediende rapport van Stichting LGBT Asylum Support en eiser in de gelegenheid te stellen de beroepsgronden te onderbouwen. Aan partijen is medegedeeld dat de rechtbank de zitting hervat op 4 maart 2025.
1.3.
Verweerder heeft op 28 februari 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 4 maart 2025 hervat. Hieraan hebben: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk 2] als tolk en mr. G. Erdal als gemachtigde van verweerder deelgenomen, in aanwezigheid van [naam 1] van LGBT Asylum Support. Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Welke feiten en omstandigheden betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
4. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Kameroense nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 22 december 2019 asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is afgewezen en bij de uitspraak van 30 april 2021 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft daarna op 26 mei 2021 een opvolgende asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is afgewezen omdat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze afwijzing is bij uitspraak van 19 april 2022 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft op 6 april 2023, zijn derde, hier voorliggende, asielaanvraag ingediend.
Wat staat er in het bestreden besluit?
5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij beschikking van 11 november 2020 is reeds tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit terugkeerbesluit geldt nog steeds. De vertrektermijn is inmiddels verlopen. Bij beschikking van 28 december 2021 is reeds een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit inreisverbod is nog steeds geldig. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende relevante asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Homoseksuele gerichtheid.
5.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers homoseksuele gerichtheid acht verweerder echter niet geloofwaardig. Eiser heeft bij zijn tweede asielaanvraag op 26 mei 2021 voor het eerst verklaard homoseksueel te zijn. Dit asielmotief is destijds ongeloofwaardig geacht en dit is in rechte vast komen te staan. Van eiser mag verwacht worden dat hij overtuigend kan verklaren over zijn homoseksuele geaardheid. Verweerder stelt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook kan hij zijn beleving ten aanzien van de lhbti-activiteiten waaraan hij heeft deelgenomen niet aan persoonlijk maken. Daarnaast verklaart eiser summier en oppervlakkig over zijn relatie met [voornaam] . Tot slot kunnen de derdenverklaringen en de documenten waaruit blijkt dat eiser heeft deelgenomen aan lhbti-activiteiten niet leiden tot de conclusie dat eiser daarmee zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
LGBT Asylum Support rapport
6. De rechtbank stelt vast dat eiser een dag voor de eerste zittingsdatum een onderzoeksrapport van Stichting LGBT Asylum Support, opgesteld door de heer [nummer] , heeft ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunten. Verweerder heeft hierop met het verweerschrift van 28 februari 2025 gereageerd. Anders dan in het rapport staat vermeld, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het rapport geen deskundigenrapport is maar een alternatieve wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Het betreft een standpunt van een derde waar geringe waarde aan gehecht kan worden. Van deskundigheid van de Stichting of de heer [nummer] is niet gebleken. Daarbij komt dat de deskundigheid die de heer [nummer] zegt te hebben, betrekking heeft op de uitleg van de van toepassing zijnde regelgeving. Verweerder is daar, net als de rechtbank, zelf deskundig in. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd op welke manier dit rapport gewaardeerd is.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader in de besluitvorming. Eiser stelt dat uit het gehoor blijkt dat hij zeventien keer heeft aangegeven dat hij de vragen niet begrijpt. Hij geeft tijdens het gehoor aan dat hij de vragen verduidelijkt wil hebben. Verder blijkt uit het gehoor dat hij herhaaldelijk na moest denken voordat hij antwoord gaf.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat eiser tijdens het gehoor zijn asielrelaas niet goed naar voren heeft kunnen brengen omdat verweerder onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader. Uit het gehoor blijkt weliswaar dat eiser heeft aangegeven sommige vragen niet te begrijpen, maar ook dat verweerder de vragen daarna op andere wijze heeft gesteld, heeft doorgevraagd en heeft gevraagd naar concrete voorbeelden om eiser de gelegenheid te bieden zijn verhaal toe te lichten. Niet is gebleken dat eiser de vragen niet heeft kunnen beantwoorden omdat hij deze niet begreep. Uit de correcties en aanvullingen op het gehoor blijkt niet dat er passages verkeerd zijn begrepen door de gehoormedewerker. Voor zover de beroepsgrond van eiser zich richt tegen de wijze waarop het referentiekader door verweerder in de besluitvorming is meegenomen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, heeft verweerder daar naar het oordeel van de rechtbank in zijn besluitvorming voldoende kenbaar rekening mee gehouden. Verweerder stelt vast dat eiser in Kameroen tot zijn vijftiende scholing heeft gehad en dat hij als landbouwer heeft gewerkt. Verder stelt verweerder vast dat eiser in Nederland naar school gaat. Verweerder geeft aan dat rekening wordt gehouden met de culturele achtergrond van eiser en met de omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hij nu meer open is over zijn gestelde homoseksualiteit. Verweerder heeft in de besluitvorming op meerdere punten aangegeven dat en waarom er van eiser meer mag worden verwacht en dat dit gebaseerd is op het referentiekader van eiser. Eiser verblijft sinds 2019 in Nederland en heeft in 2021 verklaard homoseksueel te zijn. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij, het is thans eisers derde asielaanvraag, duidelijk, inzichtelijk, persoonlijk en consistent kan verklaren over zijn homoseksuele geaardheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder eisers seksuele geaardheid ongeloofwaardig mogen vinden?
8. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft diepgaand en overtuigend verklaard en zijn identiteitsgroei aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij zichzelf nu meer accepteert, dat hij zich vrijer voelt en dat hij kan zijn wie is hij. Hij heeft verklaard over het belang dat hij hecht aan het betrokken zijn bij de lhbti-groepen, dat hij beter dan voorheen in staat is te verklaren en dat hij meer open is dan voorheen. Dat hij dit kan benoemen toont aan dat hij een groei heeft doorgemaakt. Eiser verwijst in dit verband naar hetgeen is opgenomen in het LGBT Asylum Support rapport. Dat eiser groei heeft doorgemaakt betekent echter niet dat van eiser verwacht mag worden dat hij die gevoelens ook eloquent kan verwoorden. Ook is eiser ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen niet persoonlijk zijn. Dat eiser niet meer over [voornaam] kan verklaren komt omdat hun relatie drie maanden heeft geduurd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft in de besluitvorming duidelijk aangegeven waarom eisers verklaringen niet aannemelijk of onvoldoende overtuigend zijn en wat er in dat verband van eiser mocht worden verwacht.
Conclusie
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen asielvergunning krijgt.
11. Met deze uitspraak is op het beroep van eiser beslist. Voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding meer.
12. Voor een proceskosten vergoeding in beide zaken bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL20.19891.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2022, 202201865121V2.
ECLI:NL:RVS:2023:1508.
P.17 Gehoor opvolgende aanvraag.
P.8 Gehoor opvolgende aanvraag.
P.8 en p. 9 Gehoor opvolgende aanvraag.
P.4 Gehoor opvolgende aanvraag.
ECLI:NL:RVS:2024:300.
Beoordeling
Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser met zijn verklaringen zijn beleving ten aanzien van zijn identiteitsgroei, niet persoonlijk heeft gemaakt. Eiser verklaart dat hij is gegroeid, ten aanzien van zijn homoseksualiteit. Vervolgens wordt hierop, meermaals en op verschillende manieren, doorgevraagd. Eiser verklaart daarop dat hij zichzelf nu begrijpt, accepteert en leert kennen. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij deze verklaringen ook persoonlijk kan maken en inzicht kan geven in waarom deze aspecten voor hem zo belangrijk zijn. Ten aanzien van de deelname van lbhti-activiteiten heeft eiser verklaard dat hij zich dan gelukkig en vrij voelt, en dat hij daar zichzelf kan zijn. Wanneer hierop wordt doorgevraagd, verklaart eiser summier en oppervlakkig hierover. Ook heeft eiser tijdens het gehoor geen concrete, praktische voorbeelden kunnen geven met betrekking tot het feit dat hij zich nu beter zou kunnen uiten als gevolg van zijn deelname aan lhbti-activiteiten. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eiser met zijn verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het voor hem betekent om deel te kunnen nemen aan lhbti-activiteiten. Dit terwijl eiser zelf heeft verklaard dat hij vaak deelneemt aan lhbti-activiteiten. Zoals onder 8.2. is overwogen mag verweerder bij de beoordeling betrekken dat van eiser meer verwacht mag worden gelet op zijn referentiekader en het feit dat hij al ruim vijf jaar in Nederland verblijft. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eisers kennis over lhbti-organisaties zich niet heeft verdiept ten opzichte van zijn voorgaande asielaanvraag. Eiser is enkel in staat om nu meer lhbti-organisaties te benoemen ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser oppervlakkig en niet gedetailleerd heeft verklaard over zijn relatie met [voornaam] . Zo weet eiser niet de voor- en achternaam van [voornaam] of zijn leeftijd. Over de innerlijke eigenschappen van [voornaam] verklaart eiser dat hij liefde en zorgzaamheid voelde, maar eiser heeft hiervan geen concrete voorbeelden kunnen geven. Het enkele feit dat de relatie drie maanden heeft geduurd maakt niet dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat deze verklaringen niet bijdragen aan de aannemelijkheid van deze relatie en eisers gestelde homoseksuele geaardheid in het algemeen. Verweerder heeft niet ten onrechte in het LGBT Asylum Support rapport geen aanleiding gezien om zijn geloofwaardigheidsoordeel te wijzigen. Het gehoor is door de heer [nummer] in de rapportage in fragmenten weergegeven en leidt tot een andere conclusie dan die in het bestreden besluit, maar het geeft geen nieuw inzicht in de situatie van eiser. Dat eiser stelt dat hij niet in staat is beter te verklaren dan hij heeft gedaan, leidt niet tot de conclusie dat hij daarom met deze verklaringen zijn seksuele geaardheid wel aannemelijk heeft kunnen maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de steunverklaringen en foto’s ten onrechte niet meegewogen?
9. Eiser voert aan dat de grote hoeveelheid verklaringen en foto’s die hij heeft ingebracht, op positieve wijze hadden moeten worden betrokken bij de besluitvorming. Hij heeft de volgende documenten ingebracht ter ondersteuning van zijn asielrelaas:
Verklaring van COC Eindhoven van [naam 2] van 12 december 2023;
Verklaring van Rainbow Den Haag van [naam 3] van 10 augustus 2023;
Verklaring van Vluchtelingen in de Knel van [naam 3] van 16 maart 2023;
Verklaring van voormalig COC COCKtail project coördinator en begeleider Family of Choice, [naam 4] van 20 november 2024;
Foto’s van de Gaypride in Amsterdam in 2022 en 2023;
Foto’s van de Gaypride in Eindhoven in 2023 en 2024;
Foto’s bij COC Eindhoven en Rainbow Den Haag in 2022 en 2023;
Foto’s bij club Church in Amsterdam van 2023;
Lidmaatschapskaart van Rainbow Den Haag;
Verklaring van partner [naam 5] van 12 februari 2025, met kopie ID-kaart;
LGBT Asylum Support rapportage opgesteld door [naam 1] van 24 februari 2025.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In lhbti-zaken ligt het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat laat echter onverlet dat verweerder een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder kenbaar heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de ingebrachte stukken. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de verklaringen van de verschillende lhbti-organisaties een feitelijke weergave zijn van eisers deelname aan lhbti-activiteiten en hoe de lhbti-organisaties hem als persoon hebben leren kennen. Hoewel de verklaringen ondersteunen dat eiser deelneemt aan verschillende activiteiten voor lhbti-ers, maakt de deelname aan deze activiteiten nog niet dat eiser gevolgd moet worden in zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Het is ook van belang welke beleving eiser bij deze bijeenkomsten heeft. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser slechts in algemeenheden heeft verklaard over hoe belangrijk de bijeenkomsten voor hem waren. Verweerder heeft daarom in de ingebrachte verklaringen van de lbhti-organisaties en de foto’s geen aanleiding hoeven zien om de gestelde seksuele geaardheid van eiser alsnog geloofwaardig te achten. De ingebrachte verklaring van [naam 5] maakt evenmin dat de gestelde geaardheid van eiser als geloofwaardig aangemerkt moet worden. Verweerder merkt daarover terecht op dat het onduidelijk is waarom deze verklaring pas enkele dagen voor de zitting is ingediend, terwijl [naam 5] in zijn verklaring stelt enkele maanden een relatie te hebben met eiser. Te meer nu er onduidelijkheid bestaat over het moment waarop eiser [naam 5] zou hebben ontmoet. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting eerst gesteld dat eiser en [naam 5] elkaar eind december 2024 hebben ontmoet. Daarna heeft eiser echter verklaard dat zij elkaar al langer kennen en de vriendschap is uitgegroeid tot een relatie in december 2024. Ter zitting heeft eiser desgevraagd deze discrepantie onvoldoende weggenomen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.