Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:1250
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,793 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.51625
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Lorier).
Procesverloop
Bij besluit van 24 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
3. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 7 januari 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen. Als tolk is verschenen K. Lazar. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden.
4. De rechtbank heeft de minister op 8 januari 2025 verzocht om nadere informatie.
5. De minister heeft vervolgens op 9 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
6. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
7. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of eiser ingevolge artikel 94, vierde lid van de Vw 2000 op tijd is gehoord en voor wie zijn risico het komt, in het geval dat eiser niet op tijd is gehoord. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór
de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De termijn van artikel 94, vierde lid van de Vw
8. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser tijdig bij de rechtbank is gehoord. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 vindt de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon bij raadsman te verschijnen en de minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Awb kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd. Eiser is, na daartoe wel door te rechtbank te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen omdat hij niet is aangevoerd.
9. In aanmerking genomen dat de termijn van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 in dit geval eindigt op dinsdag 7 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de mogelijkheden te onderzoeken om voortzetting van de behandeling van de zaak - met aanwezigheid van eiser – op tijd te bewerkstelligen. De griffier heeft telefonisch contact opgenomen met het detentiecentrum Rotterdam (dtc) en gevraagd waarom eiser niet is aangevoerd. Het dtc heeft geen antwoord kunnen geven. De gemachtigde van eiser heeft medegedeeld dat eiser aanwezig wenste te zijn op de zitting en verzocht om aanhouding. De behandeling van het beroep is vervolgens aangehouden in afwachting van een eventuele afstandsverklaring en nadere informatie. De rechtbank stelt vast dat geen afstandsverklaring is overgelegd.
10. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid – dat eiser niet op tijd is aangevoerd en hier ook geen duidelijke verklaring voor is – niet voor risico van eiser behoort te komen en komt tot de conclusie dat sprake is van een schending van artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, omdat de rechtbank de vreemdeling niet binnen de termijn van veertien dagen heeft gehoord. De maatregel van bewaring is daarom met ingang van de dag volgend op de dag dat de termijn eindigde onrechtmatig, dat wil zeggen met ingang van 8 januari 2024.
Beoordeling
11. De rechtbank dient ook een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de bewaring vóór de schending van artikel 94, vierde lid Vw.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser schriftelijk heeft aangevoerd dat de bewaring in strijd met de wet moet worden geacht en dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser deze beroepsgronden niet nader aangevuld en geen nadere beroepsgronden aangevoerd. In zijn reactie van 9 januari 2025 heeft de gemachtigde aangevoerd dat het feit dat de maatregel wordt opgeheven vanwege overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 94 Vw geen aanleiding vormt om het beroep in te trekken omdat de overschrijding niet aan eiser of diens gemachtigde is te wijten.
De rechtbank zal dan ook ambtshalve beoordelen of de bewaring voorafgaand aan de schending van artikel 94, vierde lid, Vw onrechtmatig is geweest. De rechtbank concludeert dat dit ambtshalve niet is gebleken.
Conclusie
13. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is met ingang van 8 januari 2025 onrechtmatig.
14. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van
2 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 200,-.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2025
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.