Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:12421
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,628 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Eiser heeft op 6 februari 2024 een aanvraag om verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. Eiser stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2006. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft het ouderlijk huis verlaten omdat zijn vader wilde dat hij zich zou aansluiten bij het Poro-genootschap. Eiser is daar tegen. Eiser is toen op straat gaan leven bij Allentown Market, waar hij na enige tijd is benaderd door [naam 2] die wilde dat eiser werkzaamheden voor hem zou uitvoeren. Eiser heeft ruim een jaar voor hem gewerkt. In november 2022 heeft eiser bij Ascension Town Cemetery een pakketje bezorgd en kreeg hij een tasje terug. Het tasje is vervolgens op de terugweg van eiser gestolen waardoor [naam 2] boos werd en eiser heeft bedreigd. Eiser heeft een maand later Sierra Leone verlaten. Eiser vreest bij terugkeer naar Sierra Leone voor [naam 2]. Ook vreest eiser voor zijn vader omdat hij wil dat eiser zich gaat aansluiten bij het Poro-genootschap.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser problemen heeft gehad met [naam 2] en dat eisers vader wil dat hij zich gaat aansluiten bij het Poro-genootschap. Dit maakt volgens verweerder echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Sierra Leone. Tot slot komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s).
3. Eiser voert hiertegen het volgende aan. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser meerdere malen door [naam 2] is bedreigd en dat [naam 2] personen die hij wil straffen door jongens laat slaan en martelen. Het is vervolgens volstrekt logisch dat eiser hieraan de plausibele conclusie heeft verbonden dat [naam 2] hem iets gaat aandoen verboden bij artikel 3 ven het EVRM. Dit is ten onrechte niet door verweerder onderkend. Verweerder heeft tevens geloofwaardig bevonden dat eiser zich overdag schuil hield na de start van de problemen met [naam 2] en voor zijn vertrek naar Nederland. Het is derhalve onzorgvuldig en tegenstrijdig van verweerder om vervolgens tegen te werpen dat eiser zich zonder problemen in het openbaar bevond. Verweerder stelt verder ten onrechte dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer gedwongen zal worden toe te treden tot het Poro-genootschap. Eiser heeft echter onderbouwd dat deze genootschappen een diepgewortelde maatschappelijke macht hebben en dat leden en hun families onder sterke druk staan. Tot slot is eiser van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door in het bestreden besluit niet inzichtelijk te maken wat hij heeft gedaan in de periode voorafgaand aan de datum waarop eiser meerderjarig is geworden, , anders dan de vraagstelling tijdens de asielgehoren. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het onderzoek is gestaakt op het moment dat eiser meerderjarig is geworden. Eiser doet daarbij een beroep op uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Gegronde vrees voor vervolging
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de problemen die eiser heeft gehad met [naam 2] en dat eisers vader wil dat hij zich gaat aansluiten bij het Poro-genootschap niet ertoe leiden dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Sierra Leone. Daarvoor is het volgende redengevend.
5. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarop zijn vrees voor [naam 2] is gebaseerd. Hoewel eiser na het incident met de gestolen tas enkele telefonische bedreigingen van [naam 2] heeft ontvangen, heeft eiser daarna geen contact meer met hem gehad. Dat [naam 2] een uitgebreid netwerk heeft binnen Sierra Leone waardoor voor eiser geen veilige plek is, heeft eiser niet onderbouwd. Dat eiser zich na de problemen met [naam 2] overdag schuil hield, blijkt niet uit eisers verklaringen. Zo blijkt uit eisers verklaringen in het nader gehoor dat hij zich weldegelijk in het openbaar bevond. Eiser heeft in die periode geen problemen van [naam 2] ondervonden. Verweerder heeft dit terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom [naam 2] nog steeds op zoek zou zijn naar hem en waarom eiser na jaren nog gevaar zou lopen. Nu eiser dit niet heeft kunnen onderbouwen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser de gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt.
6. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eiser niet heeft kunnen verklaren waarom het tot op heden geen concrete gevolgen heeft gehad, indien eisers vader en zijn familieleden daadwerkelijk zo sterk aandrongen op eisers aansluiting bij het Poro-genootschap. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser nog twee jaar bij zijn vader heeft gewoond, nadat zijn moeder, die zich tegen eisers aansluiting verzette, in 2019 van zijn vader is gescheiden. Bovendien heeft eiser na het verlaten van het ouderlijk huis in 2021 nog ruim een jaar in Freetown verbleven zonder problemen te ondervinden van zijn vader of zijn familieleden. Eisers vader heeft hem sindsdien niet meer benaderd. Niet is gebleken dat het Poro-genootschap druk heeft uitgeoefend op eiser. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers vrees voor de aansluitding bij het Poro-genootschap slechts een niet onderbouwde aanname betreft. Gelet hierop heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer alsnog problemen zou ondervinden vanwege zijn vader of het Poro-genootschap.
Buitenschuldbeleid voor AMV’s
7. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat verweerder verplicht is om zich voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
8. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, verweerder niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van verweerder om dat in het concrete geval aan te tonen. Verweerder moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal verweerder moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of alsnog een terugkeerbesluit moet worden genomen. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser op 6 februari 2024 een asielaanvraag heeft gedaan. Eiser is op basis van de schouwen door verweerder beschouwd als minderjarig. Ten tijde van zijn asielaanvraag was eiser 17 jaar oud. Eiser is op [datum] 2024 meerderjarig geworden. Vaststaat dat niet daarvoor al is vastgesteld of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1530, rechtsoverweging 22.
Verslag nader gehoor van 21 februari 2025, pagina 10, 18 en 19.
Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441/19.
ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
Koninklijke Marechaussee.
Zie verslag nader gehoor, pagina 6.
De Dienst Terugkeer & Vertrek.