Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:12272
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
517 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16306
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser 1]
mede ten behoeve van zijn minderjarige dochter [eiser 2] ,
verzoekers,
V-nummers: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Procesverloop
1. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 april 2025 de aanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid aanhef en onder d, van de Vw 2000. De aanvraag van verzoekers dochter is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2025, tegelijk met het verzoek van zijn partner op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de partner van verzoeker (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.16305, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaak NL25.16299.