Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:12171
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,135 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42828
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de vrouw en twee kinderen van eiser en H. Rida als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft voor het eerst een asielaanvraag ingediend op 13 november 2014. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen en daarbij artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, omdat eiser heeft verklaard zijn nicht in zijn land van herkomst te hebben verkracht. Bij uitspraak van 1 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag en gegrond verklaard voor zover gericht tegen het inreisverbod. De rechtbank heeft daarom het besluit van 19 november 2015 vernietigd voor zover dit betrekking had op het inreisverbod. In hoger beroep is deze uitspraak door de hoogste bestuursrechter bij uitspraak van 18 maart 2020 vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 19 november 2015 vernietigd voor zover dit betrekking had op het inreisverbod en voor het overige bevestigd.
3. Eiser heeft daarna een nieuwe asielaanvraag ingediend op 1 maart 2021. Na het voornemen van verweerder van 22 februari 2023 heeft eiser de asielaanvraag op 22 maart 2023 ingetrokken.
4. Eiser heeft vervolgens op 26 mei 2022 een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Naar aanleiding van het BMA advies van 15 augustus 2022 heeft verweerder bij besluit van 31 augustus 2022 uitstel van vertrek verleend aan eiser voor de periode van 26 juli 2022 tot 26 juli 2023. Dat uitstel is vervolgens tweemaal verlengd tot 26 juli 2025.
5. Op 7 mei 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel medische behandeling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag staat volgens verweerder vast met de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in 2020. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om van de beleidsregels af te wijken.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het vermeende strafbare feit meer dan 20 jaar geleden gepleegd is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser in Syrië nooit is veroordeeld. Ook is aan eiser geen inreisverbod opgelegd. Verder heeft verweerder eisers persoonlijke omstandigheden onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Daarbij benoemt eiser zijn lange verblijf in Nederland, zijn medische situatie en het feit dat hij nooit is veroordeeld in Syrië. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 14 december 2023. Ten slotte heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat artikel 1F ten onrechte is tegengeworpen. De rechtbank stelt voorop dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en het opgelegde inreisverbod in rechte vaststaan door de uitspraak van de rechtbank van 1 februari 2019 en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 18 maart 2020. Verweerder mag (in beginsel) dan ook uitgaan van de conclusie dat artikel 1F van toepassing is op eiser. De omstandigheden dat het strafbare feit meer dan 20 jaar geleden gepleegd zou zijn en dat eiser hier in Syrië nooit voor is veroordeeld zijn al door de rechtbank en de hoogste bestuursrechter meegenomen in de beoordeling. Wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht maakt volgens de rechtbank daarom niet dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de eerdere conclusie van verweerder over artikel 1F.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de meeste feiten en omstandigheden die door eiser zijn genoemd al eerder zijn betrokken. Zo zijn de omstandigheden dat eiser het strafbare feit meer dan 20 jaar geleden gepleegd zou hebben en dat eiser daar in Syrië nooit voor is veroordeeld destijds ook al betrokken in de beoordeling en heeft verweerder daar nu in beginsel op mogen wijzen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw. In zoverre kunnen de medische omstandigheden van eiser dus niet tot een andere conclusie leiden. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van concrete bijzondere persoonlijke omstandigheden waar verweerder rekening mee had moeten houden.
9. Op zitting waren de gezinsleden van eiser aanwezig. De kinderen van eiser hebben aangegeven dat zij hier studeren, Nederlands spreken en hun vader ondersteunen. De gemachtigde van eiser heeft meegedeeld dat zij daarom een aanvraag voor een verblijfsvergunning in het kader van artikel 8 van het EVRM hebben gedaan.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 1 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:477.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:820.
Bureau Medische Advisering.
ECLI:NL:RVS:2023:4652.
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.